[{"id":3563,"title":"Meeuwen sterven in de haven [Seagulls Die in the Harbour]","dimensions":"","date_begin":"1955-01-01","material":"","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":12,"category_id":22,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":1,"stream_count":0,"collection":"© 2012 Eyeworks Belgium","cached_tag_list":"kiel, braem, antwerp","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"","stream_count_app":16,"permalink":null,"description_ru":null,"description_de":null,"description_es":null,"description_el":null,"short_description_du":null,"short_description_fr":null,"short_description_ru":null,"short_description_de":null,"short_description_es":null,"short_description_el":null,"description_ca":null,"short_description_ca":null,"description_it":null,"short_description_it":null,"cached_primary_asset_url":null,"cached_actor_names":null,"hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":null,"short_description_uk":null,"description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/006/670/large/%C2%A9%202012%20Eyeworks%20Belgium%20for%20still%20from%20Meeuwen%20sterven%20in%20de%20haven%20%281955%29.jpg?1328781999","poster_credits":"© 2012 Eyeworks Belgium","translations":[{"locale":"en","description":"Antwerpen anno 1955:fragmenten uit ‘Meeuwen sterven in de haven’\r\n\r\nRegie en scenario: Rik Kuypers, Ivo Michiels, Roland Verhavert\r\n"},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":21474,"title":"157 Jef Verheyen 40 (ed. 220)","dimensions":"43 x 43 x 4 cm box, 40 x 40 cm each serigraph","date_begin":"1972-01-01","material":"Book multiple containing 4 serigrpahs, 180 pages book with texts, photographs and colour illustrations. Package: white cardboard box inside chromed aluminium box finished with a printed tricolour laser, bookmultiple ","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":118,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":11,"stream_count":0,"collection":"Gerhard and Anna Lenz, Lenz Schönberg Collection, Schönberg, Austria","cached_tag_list":"Jef Verheyen book multiple","publishing_process_id":1,"annotation":"\u003cp\u003eIn presale, an edition was priced 14.9000 frank (approx. 3725 euros), after the launch the price was 28.000 frank (approx. 700 euros).\u0026nbsp;\u003cbr /\u003e\r\nA part of the edition was destroyed on the occasion of the bankruptcy\u0026nbsp;of Multi-Art in 1986.\u003c/p\u003e\r\n","date_end":null,"reference":"VER-19","stream_count_app":86,"permalink":"157-40","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"http://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/049/491/medium_500/157_asset5.png?1572951743","cached_actor_names":"Sammlung Lenz, Multi-Art Gallery, Frank Philippi, Liliane Emma Staal, Ivo Michiels, Multi-Art Press International, Jef Verheyen, Paul Ibou","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":null,"poster_credits":null,"translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eWhite cardboard box inside chromed aluminium box (chromium-plated metal sheet) finished with a printed tricolour laser.\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eInside the box, a linen slipcase includes 4 light bow serigraphs by Jef Verheyen,\u0026nbsp;two of them with a laser. They are numbered from A to D, signed and labeled on the reverse.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eThe serigraphs are followed by Ivo Michiels\u0026#39;s text \u0026#39;Jef Verheyen, schilder. Ook een verhaal\u0026#39;; a double-paged photograph by Frank Philippi of a landscape; and a book with a historical overview.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003ePublished on the occasion of Jef Verheyen\u0026#39;s 40th birthday on\u0026nbsp;7 July 1972.\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eEdited by Liliane E. Staal and designed by Paul Ibou\u0026nbsp;\u003cbr /\u003e\r\n\u003cbr /\u003e\r\nPublished by Multi-Art Press International, 1972.\u0026nbsp; The book was presented in the Museum Plantin-Moretus, Antwerp, on 7 July 1972.\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eEdition of 220 + extra copies numbered with roman numerals.\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eAll four lithographs are numbered, signed and dated: \u0026quot;A\u0026quot; to \u0026quot;D\u0026quot;, \u0026quot;/220\u0026quot;, \u0026quot;Jef Verheyen 72\u0026quot;\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003e\u003cbr /\u003e\r\n\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n"},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":21530,"title":"Jef Verheyen, schilder. Ook een verhaal","dimensions":"4 p.","date_begin":"1966-01-01","material":"ink on paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":84,"category_id":25,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":8,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Ivo Michiels Boek 40 Elf uit Vlaanderen","publishing_process_id":1,"annotation":"\u003cp\u003eOriginally published in:\u0026nbsp;\u003cbr\u003e\u003cbr\u003eGaston Burssens, Ivo Michiels, Gust Gils, Paul de Wispelaere, Hugo Claus, Hugo Raes, weverbergh, Hugues C. Pernath, C.C. Krijgelmans, Astère Michel Dhondt, Marc Andries,\u0026nbsp;\u003ci\u003eElf uit Vlaanderen,\u0026nbsp;\u003c/i\u003eAmsterdam/Antwerpen: De Bezige Bij/Contact, 1966: 19-22.\u003cbr\u003e\u003cbr\u003e\u003cbr\u003eRepublished in:\u0026nbsp;\u003cbr\u003e\u003cbr\u003e\u003ci\u003eBoek 40,\u0026nbsp;\u003c/i\u003emultiple, 1972\u003cbr\u003e\u003cbr\u003eNieuw Vlaams Tijdschrift Vol. 30 (1977) Nr. 3\u0026nbsp;\u003cbr\u003e\u003cbr\u003eIvo Michiels,\u0026nbsp;\u003ci\u003eLuister hoe dit beeld hoe die lijn hoe die kleur hoe dit vlak luister,\u0026nbsp;\u003c/i\u003eAntwerp: Soethoudt, 1979 (a collection of the artist's writings about art)\u003c/p\u003e","date_end":null,"reference":"JV_10_03","stream_count_app":58,"permalink":"jef-verheyen-schilder-ook-een-verhaal","description_ru":"","description_de":"\u003cp\u003eOriginally published in:\u0026nbsp;\u003cbr\u003e- Gaston Burssens, Ivo Michiels, Gust Gils, Paul de Wispelaere, Hugo Claus, Hugo Raes, weverbergh, Hugues C. Pernath, C.C. Krijgelmans, Astère Michel Dhondt, Marc Andries,\u0026nbsp;\u003ci\u003eElf uit Vlaanderen,\u0026nbsp;\u003c/i\u003eAmsterdam/Antwerpen: De Bezige Bij/Contact, 1966: 19-22.\u003cbr\u003e\u003cbr\u003eRepublished in:\u0026nbsp;\u003cbr\u003e- \u003ci\u003eBoek 40,\u0026nbsp;\u003c/i\u003emultiple, 1972\u003cbr\u003e- Nieuw Vlaams Tijdschrift Vol. 30 (1977) Nr. 3\u0026nbsp;\u003cbr\u003e- Ivo Michiels,\u0026nbsp;\u003ci\u003eLuister hoe dit beeld hoe die lijn hoe die kleur hoe dit vlak luister,\u0026nbsp;\u003c/i\u003eAntwerp: Soethoudt, 1979 (a collection of the artist's writings about art)\u003c/p\u003e\u003chr\u003e\u003cp\u003e[Transkript]\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u003cstrong\u003eJef Verheyen, schilder. Ook een verhaal\u003c/strong\u003e\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHij stond, de kraag van zijn overjas hoog opgeslagen, van het perron naar me op te kijken: berooid, triest, dapper. Ik had het coupéraam opengeschoven en riep nog wat. Hij knikte: een paar korte snokken met de vooruitgestoken kin. Hij stond tussen de weinige mensen op het perron als een klein vierkant zwart blok, de ellebogen tegen het lichaam geperst en de handen diep in de zakken gedoken. Hij leek kleiner dan ooit, machtiger en machtelozer dan ooit. Toen de trein zich in beweging zette was er nog eens dat snokken van zijn kin, twee drie keer, en even kwam een hand uit zijn zak, niet ver, tot een beetje boven de heup. Hij deed nog een paar stappen met de trein mee en bleef dan staan, onbeweeglijk, stilaan kleiner wordend. Misschien huilde hij toen zelfs (al die jaren heb ik er hem van verdacht dat hij zelfs huilde, die avond op het Milanese perron). Ik heb het hem later nooit gevraagd, ik begreep ook toen nog niet veel van het in toom gehouden geweld in hem, de kracht van zijn triestheid soms, zijn twijfel soms, zijn koppigheid. Ook zijn uitbarstingen begreep ik nog niet. Ik begreep in die tijd niet veel meer dan zijn schilderijen. En ik wist dat hij die avond in Milaan mee terug naar huis had gewild, gewoon. Het huis, de vrouw, de verf. Ik was hem vanuit Antwerpen nagereisd, was een paar dagen bij hem in Milaan gebleven, reed nu het eerst weer terug, hem achterlatend met het restant van wat schamele lires. Maar hij bleef. Omdat het moest. Ergens moest het. Hij bleef om morgen misschien toch nog een schilderij te verkopen, iemand te ontmoeten die geld gaf, of niet eens geld, iemand die een weg openmaakte. De Weg. Wie weet? Daarom bleef hij en daarom was hij weggegaan: om het wie-weet? Daarom deed hij het telkens opnieuw (zoals die andere keer toen ik hem te Antwerpen met zijn schilderijen op de trein voor Zwitserland zette en hij midden in de salle-des-pas-perdus plots bleef staan en riep: waarom godverdomme? Godverdomme godverdomme! En toch vertrok, rustig, met dat korte snokken van zijn kin).\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMaar het was dat niet wat ik wilde vertellen. Of ook dat. Of dit eerst: het station in Milaan, die winter van 57-58 toen ik vanuit de trein weer op het perron had willen springen en hij van op het perron mee de trein in. Ik heb het ene niet gedaan en hij het andere niet en dat was perfect zo, dat weten we nu wel. Ik wilde vertellen wat ik wist sedert die middag, een paar uur voordat de trein vertrok. Van zijn verzworen ogen. Hij werd geboren met verzworen ogen, in een dorp in de Kempen, tussen de dennen en de verf. Ze zagen wel dat er iets mis was met zijn ogen. Ze werden nog net op tijd behandeld - ook dat is een verhaal, een ander - en ze genazen. Dit wil zeggen: het zweren hield op, hij slaagde erin zijn ogen open te houden en te zien. Maar hij zag niets. Er lag als een waas over zijn blik. Niemand merkte er wat van, voor hemzelf zal het wel geleken hebben of het zo hoorde en iedereen was al blij dat zijn ogen openbleven en niet langer zweerden, en dat ze reageerden op licht en donker en zo. Thuis hielden ze een drogisterij open, zijn vader - een wonderbaar man die zowel Dostojewski las (en leest) als ‘De brooddraagster’ en zakelijk ten onder ging aan zijn weemoed en zijn dromen - zijn vader was een meester-huisschilder. Zijn moeder stopte hem vaders verfpotten in de hand als speelgoed. Het eerste wat hij echt zag - en at - was verf. Hij liep met de verf de tuin in die voor hem niet eens een tuin was, alleen maar buiten, een niet-binnen. In de tuin stonden de bomen die hij niet zag, niet echt, niet als bomen. Dan kroop hij met zijn verfpotten tot bij een boom en schilderde de stam. Blauw. Schilderde stam na stam, tot op kindhoogte. Schilderde alle stammen blauw en ontdekte ineens dat de tuin een tuin was, met bomen, en dat de bomen boom waren. Ontdekte de wereld die geen wereld was zonder verf erop. Voor hem niet, vanwege zijn ogen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDat was het wat ik wilde vertellen. Dat was het waaraan ik ook toen aldoor heb moeten denken, die dag in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel - precies tien jaar na zijn eerste bescheiden expositietje in een boekenzaak te Antwerpen en acht jaar na zijn eerste tentoonstelling in Italië - die dag in 1966 toen Verheyen eindelijk de triomf vierde van zijn verzworen ogen, van het kille perron die avond in Milaan, van het waarom en wie-weet en het godverdomme. In de zalen van het Paleis hingen grote ovalen, cirkels, ruiten, en er stonden tochtschermen waarin panelen die authentieke schilderijen waren, afwisselden met panelen van donkere paarse tulle of zijde. Het was de triomf van het zien, van het doordringen in de ruimte, in de stilte; een nauwelijks te verwerken aanwezigheid van kleur in onvermoede nuances, een chromatiek van verfijning en raffinement, slechts te vatten voor een geoefend en gevoelig oog. Voor een verzworen oog dat ziet wat niemand ziet, of ziet wat iedereen ziet en toch meer ziet, meer weet en meer hoort. Regen- en zonnebogen ziet, nacht en dag, maan en aarde, zomer en avond, Venetië en Panarea. Zie: ergens een verborgen licht dat opdoemt uit het duister, of een donker dat aarzelend zijn schaduw vooruit werpt; diepe paarsen en blauwen naast de freelste gelen en groenen, soms de vlam van een oranje daartussen, het schilderij afwisselend zwoel, smeulend, etherisch; en het oppervlak eerder bewasemd dan geschilderd. Van Eyck, Turner, Permeke, Mondriaan. En Itegem, het geboortedorp: de tuin die geen tuin is, de boom die geen boom is, de wereld die geen wereld is, tot de kleur komt.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e‘Rêve de Möbius’ is een licht, morgenlijk-blauw schilderij. Het ontstond in samenwerking met de Argentijns-Italiaanse schilder Fontana. Het geboorteblauw van Verheyen heeft Fontana met gaten doorprikt: een gestileerde agressie, iedere prik een doorboren van de geboorte tot leven. De zevenenzestigjarige Fontana die twaalfhonderd kilometer aflegt om het schilderij van de vierendertigjarige Verheyen te doorboren, beschroomd voor het doek staat, uren aarzelt, een dag lang aarzelt, 's nachts opstaat en in het donker met de hand de curve zoekt die de prik zal moeten beschrijven, straks, wanneer hij zich op het schilderij stort om het zegel te leggen van de vriendschap, de waardering, de gemeenschappelijkheid. En zodus nogeens de triomf van die avond op het perron, van het wie-weet en van alles en alles.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eUit zijn kindertijd herinnert Verheyen zich niet zoveel meer, weinig mensen, weinig gezichten. De verfpotten, ja. Voor het overige vooral tafelkleden. De boerentafelkleden uit de Kempen: blauwe vierkanten en witte vierkanten, witte vierkanten en rode vierkanten. Vlakken en vlekken. Kleur.\u003c/p\u003e","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/051/117/medium_500/ID_21530_1.jpg?1580888286","cached_actor_names":"Ivo Michiels, Jef Verheyen","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/051/117/large/ID_21530_1.jpg?1580888286","poster_credits":"(c)scan: CKV, 2020 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eOriginally published in:\u0026nbsp;\u003cbr\u003e- Gaston Burssens, Ivo Michiels, Gust Gils, Paul de Wispelaere, Hugo Claus, Hugo Raes, weverbergh, Hugues C. Pernath, C.C. Krijgelmans, Astère Michel Dhondt, Marc Andries,\u0026nbsp;\u003ci\u003eElf uit Vlaanderen,\u0026nbsp;\u003c/i\u003eAmsterdam/Antwerpen: De Bezige Bij/Contact, 1966: 19-22.\u003cbr\u003e\u003cbr\u003eRepublished in:\u0026nbsp;\u003cbr\u003e- \u003ci\u003eBoek 40,\u0026nbsp;\u003c/i\u003emultiple, 1972\u003cbr\u003e- Nieuw Vlaams Tijdschrift Vol. 30 (1977) Nr. 3\u0026nbsp;\u003cbr\u003e- Ivo Michiels,\u0026nbsp;\u003ci\u003eLuister hoe dit beeld hoe die lijn hoe die kleur hoe dit vlak luister,\u0026nbsp;\u003c/i\u003eAntwerp: Soethoudt, 1979 (a collection of the artist's writings about art)\u003c/p\u003e\u003chr\u003e\u003cp\u003e[transcript]\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u003cstrong\u003eJef Verheyen, schilder. Ook een verhaal\u003c/strong\u003e\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHij stond, de kraag van zijn overjas hoog opgeslagen, van het perron naar me op te kijken: berooid, triest, dapper. Ik had het coupéraam opengeschoven en riep nog wat. Hij knikte: een paar korte snokken met de vooruitgestoken kin. Hij stond tussen de weinige mensen op het perron als een klein vierkant zwart blok, de ellebogen tegen het lichaam geperst en de handen diep in de zakken gedoken. Hij leek kleiner dan ooit, machtiger en machtelozer dan ooit. Toen de trein zich in beweging zette was er nog eens dat snokken van zijn kin, twee drie keer, en even kwam een hand uit zijn zak, niet ver, tot een beetje boven de heup. Hij deed nog een paar stappen met de trein mee en bleef dan staan, onbeweeglijk, stilaan kleiner wordend. Misschien huilde hij toen zelfs (al die jaren heb ik er hem van verdacht dat hij zelfs huilde, die avond op het Milanese perron). Ik heb het hem later nooit gevraagd, ik begreep ook toen nog niet veel van het in toom gehouden geweld in hem, de kracht van zijn triestheid soms, zijn twijfel soms, zijn koppigheid. Ook zijn uitbarstingen begreep ik nog niet. Ik begreep in die tijd niet veel meer dan zijn schilderijen. En ik wist dat hij die avond in Milaan mee terug naar huis had gewild, gewoon. Het huis, de vrouw, de verf. Ik was hem vanuit Antwerpen nagereisd, was een paar dagen bij hem in Milaan gebleven, reed nu het eerst weer terug, hem achterlatend met het restant van wat schamele lires. Maar hij bleef. Omdat het moest. Ergens moest het. Hij bleef om morgen misschien toch nog een schilderij te verkopen, iemand te ontmoeten die geld gaf, of niet eens geld, iemand die een weg openmaakte. De Weg. Wie weet? Daarom bleef hij en daarom was hij weggegaan: om het wie-weet? Daarom deed hij het telkens opnieuw (zoals die andere keer toen ik hem te Antwerpen met zijn schilderijen op de trein voor Zwitserland zette en hij midden in de salle-des-pas-perdus plots bleef staan en riep: waarom godverdomme? Godverdomme godverdomme! En toch vertrok, rustig, met dat korte snokken van zijn kin).\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMaar het was dat niet wat ik wilde vertellen. Of ook dat. Of dit eerst: het station in Milaan, die winter van 57-58 toen ik vanuit de trein weer op het perron had willen springen en hij van op het perron mee de trein in. Ik heb het ene niet gedaan en hij het andere niet en dat was perfect zo, dat weten we nu wel. Ik wilde vertellen wat ik wist sedert die middag, een paar uur voordat de trein vertrok. Van zijn verzworen ogen. Hij werd geboren met verzworen ogen, in een dorp in de Kempen, tussen de dennen en de verf. Ze zagen wel dat er iets mis was met zijn ogen. Ze werden nog net op tijd behandeld - ook dat is een verhaal, een ander - en ze genazen. Dit wil zeggen: het zweren hield op, hij slaagde erin zijn ogen open te houden en te zien. Maar hij zag niets. Er lag als een waas over zijn blik. Niemand merkte er wat van, voor hemzelf zal het wel geleken hebben of het zo hoorde en iedereen was al blij dat zijn ogen openbleven en niet langer zweerden, en dat ze reageerden op licht en donker en zo. Thuis hielden ze een drogisterij open, zijn vader - een wonderbaar man die zowel Dostojewski las (en leest) als ‘De brooddraagster’ en zakelijk ten onder ging aan zijn weemoed en zijn dromen - zijn vader was een meester-huisschilder. Zijn moeder stopte hem vaders verfpotten in de hand als speelgoed. Het eerste wat hij echt zag - en at - was verf. Hij liep met de verf de tuin in die voor hem niet eens een tuin was, alleen maar buiten, een niet-binnen. In de tuin stonden de bomen die hij niet zag, niet echt, niet als bomen. Dan kroop hij met zijn verfpotten tot bij een boom en schilderde de stam. Blauw. Schilderde stam na stam, tot op kindhoogte. Schilderde alle stammen blauw en ontdekte ineens dat de tuin een tuin was, met bomen, en dat de bomen boom waren. Ontdekte de wereld die geen wereld was zonder verf erop. Voor hem niet, vanwege zijn ogen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDat was het wat ik wilde vertellen. Dat was het waaraan ik ook toen aldoor heb moeten denken, die dag in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel - precies tien jaar na zijn eerste bescheiden expositietje in een boekenzaak te Antwerpen en acht jaar na zijn eerste tentoonstelling in Italië - die dag in 1966 toen Verheyen eindelijk de triomf vierde van zijn verzworen ogen, van het kille perron die avond in Milaan, van het waarom en wie-weet en het godverdomme. In de zalen van het Paleis hingen grote ovalen, cirkels, ruiten, en er stonden tochtschermen waarin panelen die authentieke schilderijen waren, afwisselden met panelen van donkere paarse tulle of zijde. Het was de triomf van het zien, van het doordringen in de ruimte, in de stilte; een nauwelijks te verwerken aanwezigheid van kleur in onvermoede nuances, een chromatiek van verfijning en raffinement, slechts te vatten voor een geoefend en gevoelig oog. Voor een verzworen oog dat ziet wat niemand ziet, of ziet wat iedereen ziet en toch meer ziet, meer weet en meer hoort. Regen- en zonnebogen ziet, nacht en dag, maan en aarde, zomer en avond, Venetië en Panarea. Zie: ergens een verborgen licht dat opdoemt uit het duister, of een donker dat aarzelend zijn schaduw vooruit werpt; diepe paarsen en blauwen naast de freelste gelen en groenen, soms de vlam van een oranje daartussen, het schilderij afwisselend zwoel, smeulend, etherisch; en het oppervlak eerder bewasemd dan geschilderd. Van Eyck, Turner, Permeke, Mondriaan. En Itegem, het geboortedorp: de tuin die geen tuin is, de boom die geen boom is, de wereld die geen wereld is, tot de kleur komt.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e‘Rêve de Möbius’ is een licht, morgenlijk-blauw schilderij. Het ontstond in samenwerking met de Argentijns-Italiaanse schilder Fontana. Het geboorteblauw van Verheyen heeft Fontana met gaten doorprikt: een gestileerde agressie, iedere prik een doorboren van de geboorte tot leven. De zevenenzestigjarige Fontana die twaalfhonderd kilometer aflegt om het schilderij van de vierendertigjarige Verheyen te doorboren, beschroomd voor het doek staat, uren aarzelt, een dag lang aarzelt, 's nachts opstaat en in het donker met de hand de curve zoekt die de prik zal moeten beschrijven, straks, wanneer hij zich op het schilderij stort om het zegel te leggen van de vriendschap, de waardering, de gemeenschappelijkheid. En zodus nogeens de triomf van die avond op het perron, van het wie-weet en van alles en alles.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eUit zijn kindertijd herinnert Verheyen zich niet zoveel meer, weinig mensen, weinig gezichten. De verfpotten, ja. Voor het overige vooral tafelkleden. De boerentafelkleden uit de Kempen: blauwe vierkanten en witte vierkanten, witte vierkanten en rode vierkanten. Vlakken en vlekken. Kleur.\u003c/p\u003e"},{"locale":"nl","description":"\u003cp\u003eOriginally published in:\u0026nbsp;\u003cbr\u003e- Gaston Burssens, Ivo Michiels, Gust Gils, Paul de Wispelaere, Hugo Claus, Hugo Raes, weverbergh, Hugues C. Pernath, C.C. Krijgelmans, Astère Michel Dhondt, Marc Andries,\u0026nbsp;\u003ci\u003eElf uit Vlaanderen,\u0026nbsp;\u003c/i\u003eAmsterdam/Antwerpen: De Bezige Bij/Contact, 1966: 19-22.\u003cbr\u003e\u003cbr\u003eRepublished in:\u0026nbsp;\u003cbr\u003e- \u003ci\u003eBoek 40,\u0026nbsp;\u003c/i\u003emultiple, 1972\u003cbr\u003e- Nieuw Vlaams Tijdschrift Vol. 30 (1977) Nr. 3\u0026nbsp;\u003cbr\u003e- Ivo Michiels,\u0026nbsp;\u003ci\u003eLuister hoe dit beeld hoe die lijn hoe die kleur hoe dit vlak luister,\u0026nbsp;\u003c/i\u003eAntwerp: Soethoudt, 1979 (a collection of the artist's writings about art)\u003c/p\u003e\u003chr\u003e\u003cp\u003e[transcriptie]\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u003cstrong\u003eJef Verheyen, schilder. Ook een verhaal\u003c/strong\u003e\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHij stond, de kraag van zijn overjas hoog opgeslagen, van het perron naar me op te kijken: berooid, triest, dapper. Ik had het coupéraam opengeschoven en riep nog wat. Hij knikte: een paar korte snokken met de vooruitgestoken kin. Hij stond tussen de weinige mensen op het perron als een klein vierkant zwart blok, de ellebogen tegen het lichaam geperst en de handen diep in de zakken gedoken. Hij leek kleiner dan ooit, machtiger en machtelozer dan ooit. Toen de trein zich in beweging zette was er nog eens dat snokken van zijn kin, twee drie keer, en even kwam een hand uit zijn zak, niet ver, tot een beetje boven de heup. Hij deed nog een paar stappen met de trein mee en bleef dan staan, onbeweeglijk, stilaan kleiner wordend. Misschien huilde hij toen zelfs (al die jaren heb ik er hem van verdacht dat hij zelfs huilde, die avond op het Milanese perron). Ik heb het hem later nooit gevraagd, ik begreep ook toen nog niet veel van het in toom gehouden geweld in hem, de kracht van zijn triestheid soms, zijn twijfel soms, zijn koppigheid. Ook zijn uitbarstingen begreep ik nog niet. Ik begreep in die tijd niet veel meer dan zijn schilderijen. En ik wist dat hij die avond in Milaan mee terug naar huis had gewild, gewoon. Het huis, de vrouw, de verf. Ik was hem vanuit Antwerpen nagereisd, was een paar dagen bij hem in Milaan gebleven, reed nu het eerst weer terug, hem achterlatend met het restant van wat schamele lires. Maar hij bleef. Omdat het moest. Ergens moest het. Hij bleef om morgen misschien toch nog een schilderij te verkopen, iemand te ontmoeten die geld gaf, of niet eens geld, iemand die een weg openmaakte. De Weg. Wie weet? Daarom bleef hij en daarom was hij weggegaan: om het wie-weet? Daarom deed hij het telkens opnieuw (zoals die andere keer toen ik hem te Antwerpen met zijn schilderijen op de trein voor Zwitserland zette en hij midden in de salle-des-pas-perdus plots bleef staan en riep: waarom godverdomme? Godverdomme godverdomme! En toch vertrok, rustig, met dat korte snokken van zijn kin).\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMaar het was dat niet wat ik wilde vertellen. Of ook dat. Of dit eerst: het station in Milaan, die winter van 57-58 toen ik vanuit de trein weer op het perron had willen springen en hij van op het perron mee de trein in. Ik heb het ene niet gedaan en hij het andere niet en dat was perfect zo, dat weten we nu wel. Ik wilde vertellen wat ik wist sedert die middag, een paar uur voordat de trein vertrok. Van zijn verzworen ogen. Hij werd geboren met verzworen ogen, in een dorp in de Kempen, tussen de dennen en de verf. Ze zagen wel dat er iets mis was met zijn ogen. Ze werden nog net op tijd behandeld - ook dat is een verhaal, een ander - en ze genazen. Dit wil zeggen: het zweren hield op, hij slaagde erin zijn ogen open te houden en te zien. Maar hij zag niets. Er lag als een waas over zijn blik. Niemand merkte er wat van, voor hemzelf zal het wel geleken hebben of het zo hoorde en iedereen was al blij dat zijn ogen openbleven en niet langer zweerden, en dat ze reageerden op licht en donker en zo. Thuis hielden ze een drogisterij open, zijn vader - een wonderbaar man die zowel Dostojewski las (en leest) als ‘De brooddraagster’ en zakelijk ten onder ging aan zijn weemoed en zijn dromen - zijn vader was een meester-huisschilder. Zijn moeder stopte hem vaders verfpotten in de hand als speelgoed. Het eerste wat hij echt zag - en at - was verf. Hij liep met de verf de tuin in die voor hem niet eens een tuin was, alleen maar buiten, een niet-binnen. In de tuin stonden de bomen die hij niet zag, niet echt, niet als bomen. Dan kroop hij met zijn verfpotten tot bij een boom en schilderde de stam. Blauw. Schilderde stam na stam, tot op kindhoogte. Schilderde alle stammen blauw en ontdekte ineens dat de tuin een tuin was, met bomen, en dat de bomen boom waren. Ontdekte de wereld die geen wereld was zonder verf erop. Voor hem niet, vanwege zijn ogen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDat was het wat ik wilde vertellen. Dat was het waaraan ik ook toen aldoor heb moeten denken, die dag in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel - precies tien jaar na zijn eerste bescheiden expositietje in een boekenzaak te Antwerpen en acht jaar na zijn eerste tentoonstelling in Italië - die dag in 1966 toen Verheyen eindelijk de triomf vierde van zijn verzworen ogen, van het kille perron die avond in Milaan, van het waarom en wie-weet en het godverdomme. In de zalen van het Paleis hingen grote ovalen, cirkels, ruiten, en er stonden tochtschermen waarin panelen die authentieke schilderijen waren, afwisselden met panelen van donkere paarse tulle of zijde. Het was de triomf van het zien, van het doordringen in de ruimte, in de stilte; een nauwelijks te verwerken aanwezigheid van kleur in onvermoede nuances, een chromatiek van verfijning en raffinement, slechts te vatten voor een geoefend en gevoelig oog. Voor een verzworen oog dat ziet wat niemand ziet, of ziet wat iedereen ziet en toch meer ziet, meer weet en meer hoort. Regen- en zonnebogen ziet, nacht en dag, maan en aarde, zomer en avond, Venetië en Panarea. Zie: ergens een verborgen licht dat opdoemt uit het duister, of een donker dat aarzelend zijn schaduw vooruit werpt; diepe paarsen en blauwen naast de freelste gelen en groenen, soms de vlam van een oranje daartussen, het schilderij afwisselend zwoel, smeulend, etherisch; en het oppervlak eerder bewasemd dan geschilderd. Van Eyck, Turner, Permeke, Mondriaan. En Itegem, het geboortedorp: de tuin die geen tuin is, de boom die geen boom is, de wereld die geen wereld is, tot de kleur komt.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e‘Rêve de Möbius’ is een licht, morgenlijk-blauw schilderij. Het ontstond in samenwerking met de Argentijns-Italiaanse schilder Fontana. Het geboorteblauw van Verheyen heeft Fontana met gaten doorprikt: een gestileerde agressie, iedere prik een doorboren van de geboorte tot leven. De zevenenzestigjarige Fontana die twaalfhonderd kilometer aflegt om het schilderij van de vierendertigjarige Verheyen te doorboren, beschroomd voor het doek staat, uren aarzelt, een dag lang aarzelt, 's nachts opstaat en in het donker met de hand de curve zoekt die de prik zal moeten beschrijven, straks, wanneer hij zich op het schilderij stort om het zegel te leggen van de vriendschap, de waardering, de gemeenschappelijkheid. En zodus nogeens de triomf van die avond op het perron, van het wie-weet en van alles en alles.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eUit zijn kindertijd herinnert Verheyen zich niet zoveel meer, weinig mensen, weinig gezichten. De verfpotten, ja. Voor het overige vooral tafelkleden. De boerentafelkleden uit de Kempen: blauwe vierkanten en witte vierkanten, witte vierkanten en rode vierkanten. Vlakken en vlekken. Kleur.\u003c/p\u003e"},{"locale":"fr","description":"\u003cp\u003eOriginally published in:\u0026nbsp;\u003cbr\u003e- Gaston Burssens, Ivo Michiels, Gust Gils, Paul de Wispelaere, Hugo Claus, Hugo Raes, weverbergh, Hugues C. Pernath, C.C. Krijgelmans, Astère Michel Dhondt, Marc Andries,\u0026nbsp;\u003ci\u003eElf uit Vlaanderen,\u0026nbsp;\u003c/i\u003eAmsterdam/Antwerpen: De Bezige Bij/Contact, 1966: 19-22.\u003cbr\u003e\u003cbr\u003eRepublished in:\u0026nbsp;\u003cbr\u003e- \u003ci\u003eBoek 40,\u0026nbsp;\u003c/i\u003emultiple, 1972\u003cbr\u003e- Nieuw Vlaams Tijdschrift Vol. 30 (1977) Nr. 3\u0026nbsp;\u003cbr\u003e- Ivo Michiels,\u0026nbsp;\u003ci\u003eLuister hoe dit beeld hoe die lijn hoe die kleur hoe dit vlak luister,\u0026nbsp;\u003c/i\u003eAntwerp: Soethoudt, 1979 (a collection of the artist's writings about art)\u003c/p\u003e\u003chr\u003e\u003cp\u003e[transcription]\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u003cstrong\u003eJef Verheyen, schilder. Ook een verhaal\u003c/strong\u003e\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHij stond, de kraag van zijn overjas hoog opgeslagen, van het perron naar me op te kijken: berooid, triest, dapper. Ik had het coupéraam opengeschoven en riep nog wat. Hij knikte: een paar korte snokken met de vooruitgestoken kin. Hij stond tussen de weinige mensen op het perron als een klein vierkant zwart blok, de ellebogen tegen het lichaam geperst en de handen diep in de zakken gedoken. Hij leek kleiner dan ooit, machtiger en machtelozer dan ooit. Toen de trein zich in beweging zette was er nog eens dat snokken van zijn kin, twee drie keer, en even kwam een hand uit zijn zak, niet ver, tot een beetje boven de heup. Hij deed nog een paar stappen met de trein mee en bleef dan staan, onbeweeglijk, stilaan kleiner wordend. Misschien huilde hij toen zelfs (al die jaren heb ik er hem van verdacht dat hij zelfs huilde, die avond op het Milanese perron). Ik heb het hem later nooit gevraagd, ik begreep ook toen nog niet veel van het in toom gehouden geweld in hem, de kracht van zijn triestheid soms, zijn twijfel soms, zijn koppigheid. Ook zijn uitbarstingen begreep ik nog niet. Ik begreep in die tijd niet veel meer dan zijn schilderijen. En ik wist dat hij die avond in Milaan mee terug naar huis had gewild, gewoon. Het huis, de vrouw, de verf. Ik was hem vanuit Antwerpen nagereisd, was een paar dagen bij hem in Milaan gebleven, reed nu het eerst weer terug, hem achterlatend met het restant van wat schamele lires. Maar hij bleef. Omdat het moest. Ergens moest het. Hij bleef om morgen misschien toch nog een schilderij te verkopen, iemand te ontmoeten die geld gaf, of niet eens geld, iemand die een weg openmaakte. De Weg. Wie weet? Daarom bleef hij en daarom was hij weggegaan: om het wie-weet? Daarom deed hij het telkens opnieuw (zoals die andere keer toen ik hem te Antwerpen met zijn schilderijen op de trein voor Zwitserland zette en hij midden in de salle-des-pas-perdus plots bleef staan en riep: waarom godverdomme? Godverdomme godverdomme! En toch vertrok, rustig, met dat korte snokken van zijn kin).\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMaar het was dat niet wat ik wilde vertellen. Of ook dat. Of dit eerst: het station in Milaan, die winter van 57-58 toen ik vanuit de trein weer op het perron had willen springen en hij van op het perron mee de trein in. Ik heb het ene niet gedaan en hij het andere niet en dat was perfect zo, dat weten we nu wel. Ik wilde vertellen wat ik wist sedert die middag, een paar uur voordat de trein vertrok. Van zijn verzworen ogen. Hij werd geboren met verzworen ogen, in een dorp in de Kempen, tussen de dennen en de verf. Ze zagen wel dat er iets mis was met zijn ogen. Ze werden nog net op tijd behandeld - ook dat is een verhaal, een ander - en ze genazen. Dit wil zeggen: het zweren hield op, hij slaagde erin zijn ogen open te houden en te zien. Maar hij zag niets. Er lag als een waas over zijn blik. Niemand merkte er wat van, voor hemzelf zal het wel geleken hebben of het zo hoorde en iedereen was al blij dat zijn ogen openbleven en niet langer zweerden, en dat ze reageerden op licht en donker en zo. Thuis hielden ze een drogisterij open, zijn vader - een wonderbaar man die zowel Dostojewski las (en leest) als ‘De brooddraagster’ en zakelijk ten onder ging aan zijn weemoed en zijn dromen - zijn vader was een meester-huisschilder. Zijn moeder stopte hem vaders verfpotten in de hand als speelgoed. Het eerste wat hij echt zag - en at - was verf. Hij liep met de verf de tuin in die voor hem niet eens een tuin was, alleen maar buiten, een niet-binnen. In de tuin stonden de bomen die hij niet zag, niet echt, niet als bomen. Dan kroop hij met zijn verfpotten tot bij een boom en schilderde de stam. Blauw. Schilderde stam na stam, tot op kindhoogte. Schilderde alle stammen blauw en ontdekte ineens dat de tuin een tuin was, met bomen, en dat de bomen boom waren. Ontdekte de wereld die geen wereld was zonder verf erop. Voor hem niet, vanwege zijn ogen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDat was het wat ik wilde vertellen. Dat was het waaraan ik ook toen aldoor heb moeten denken, die dag in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel - precies tien jaar na zijn eerste bescheiden expositietje in een boekenzaak te Antwerpen en acht jaar na zijn eerste tentoonstelling in Italië - die dag in 1966 toen Verheyen eindelijk de triomf vierde van zijn verzworen ogen, van het kille perron die avond in Milaan, van het waarom en wie-weet en het godverdomme. In de zalen van het Paleis hingen grote ovalen, cirkels, ruiten, en er stonden tochtschermen waarin panelen die authentieke schilderijen waren, afwisselden met panelen van donkere paarse tulle of zijde. Het was de triomf van het zien, van het doordringen in de ruimte, in de stilte; een nauwelijks te verwerken aanwezigheid van kleur in onvermoede nuances, een chromatiek van verfijning en raffinement, slechts te vatten voor een geoefend en gevoelig oog. Voor een verzworen oog dat ziet wat niemand ziet, of ziet wat iedereen ziet en toch meer ziet, meer weet en meer hoort. Regen- en zonnebogen ziet, nacht en dag, maan en aarde, zomer en avond, Venetië en Panarea. Zie: ergens een verborgen licht dat opdoemt uit het duister, of een donker dat aarzelend zijn schaduw vooruit werpt; diepe paarsen en blauwen naast de freelste gelen en groenen, soms de vlam van een oranje daartussen, het schilderij afwisselend zwoel, smeulend, etherisch; en het oppervlak eerder bewasemd dan geschilderd. Van Eyck, Turner, Permeke, Mondriaan. En Itegem, het geboortedorp: de tuin die geen tuin is, de boom die geen boom is, de wereld die geen wereld is, tot de kleur komt.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e‘Rêve de Möbius’ is een licht, morgenlijk-blauw schilderij. Het ontstond in samenwerking met de Argentijns-Italiaanse schilder Fontana. Het geboorteblauw van Verheyen heeft Fontana met gaten doorprikt: een gestileerde agressie, iedere prik een doorboren van de geboorte tot leven. De zevenenzestigjarige Fontana die twaalfhonderd kilometer aflegt om het schilderij van de vierendertigjarige Verheyen te doorboren, beschroomd voor het doek staat, uren aarzelt, een dag lang aarzelt, 's nachts opstaat en in het donker met de hand de curve zoekt die de prik zal moeten beschrijven, straks, wanneer hij zich op het schilderij stort om het zegel te leggen van de vriendschap, de waardering, de gemeenschappelijkheid. En zodus nogeens de triomf van die avond op het perron, van het wie-weet en van alles en alles.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eUit zijn kindertijd herinnert Verheyen zich niet zoveel meer, weinig mensen, weinig gezichten. De verfpotten, ja. Voor het overige vooral tafelkleden. De boerentafelkleden uit de Kempen: blauwe vierkanten en witte vierkanten, witte vierkanten en rode vierkanten. Vlakken en vlekken. Kleur.\u003c/p\u003e"}]},{"id":22757,"title":"375 Grand Oeuvre - Ivo Michiels 10 Texte / Jef Verheyen 10 Variationen zu Dia (ed. 92)","dimensions":"68 x 52 cm portfolio, 65 x 50 cm each lithograph (20)","date_begin":"1981-01-01","material":"Portfolio with 10 lithographs and 10 texts (lithographs), Rives France paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":118,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":6,"stream_count":0,"collection":"Gerhard and Anna Lenz, Lenz Schönberg Collection, Schönberg, Austria","cached_tag_list":"Jef Verheyen Grand Oeuvre Dia Ivo Michiels","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"VER-47","stream_count_app":46,"permalink":"375-grand-oeuvre-ivo-michiels-10-texte-jef-verheyen-10-variationen-zu-dia","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"http://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/049/429/medium_500/375_asset1.jpg?1572447665","cached_actor_names":"Sammlung Lenz, Jef Verheyen, Ivo Michiels, Erker Galerie, Erker Press","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":null,"poster_credits":null,"translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eThe portfolio\u0026nbsp;\u003cem\u003eGrand Oeuvre - Ivo Michiels 10 Texte / Jef Verheyen 10 Variationen zu Dia \u003c/em\u003econsists of ten original lithographs by Jef Verheyen,\u0026nbsp;and ten\u0026nbsp;texts by Ivo Michiels, also lithographs.\u0026nbsp;They are all drawn and written on the stone\u0026nbsp;directly and personally.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eThe individual sheets are\u0026nbsp;Rives deckle-edge paper, printed directly from the stone.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eThe cover is white and entitled in large green letters: \u0026#39;Grand Oeuvre\u0026#39;.\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eThe colophon page is entitled in large green letters: \u0026#39;Ivo Michiels 10 Texte / Jef Verheyen 10 Variationen zu Dia\u0026#39;. Below Erker Press.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eThe portfolio shows alternately a sheet of text by Michiels and a lithograph showing a \u0026#39;Dia\u0026#39; by Jef Verheyen:\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003e1. square\u003cbr /\u003e\r\n2. trapezium\u003cbr /\u003e\r\n3. diabolo\u003cbr /\u003e\r\n4. megaron (Z-shaped)\u003cbr /\u003e\r\n5. diabolo\u003cbr /\u003e\r\n6. turned pyramid\u003cbr /\u003e\r\n7. megaron (turned N-shape)\u003cbr /\u003e\r\n8. megaron\u003cbr /\u003e\r\n9. triple square\u003cbr /\u003e\r\n10. megaron\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eVerheyen\u0026#39;s drawings are grisailles.\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eThe texts are red in the beginning, and then evolve from purple to blue.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eVerheyen\u0026#39;s lithographs are numbered on the bottom left (/92), numbered on the center (/10) and\u0026nbsp;signed on the bottom right, all with pencil.\u003cbr /\u003e\r\n\u003cbr /\u003e\r\nPublished by Erker Verlag (Erker Press), Sankt Gallen, Switzerland, Autumn 1981.\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eEdition of 92 + I-X\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n"},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":28211,"title":"Notebook 'Nog uit te voeren werken'","dimensions":"A4","date_begin":"1970-01-01","material":"Pencil and ink on paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":84,"category_id":26,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":12,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Notebooks Notes Sketch","publishing_process_id":1,"annotation":"\u003cp\u003e---------------------------------------------------------------------------\u003cbr /\u003e\r\nDated on the second side, top right: \u0026#39;Voor de zomer 1973\u0026#39;\u003cbr /\u003e\r\n\u003cbr /\u003e\r\nWritten on the second side, in red ink: \u0026#39;De temps en temps, l\u0026#39;homme a le besoin de se sentir quelqu\u0026#39;un.\u0026#39;\u003c/p\u003e\r\n","date_end":"1973-01-01","reference":"JV_08_11_04","stream_count_app":75,"permalink":"notebook-nog-uit-te-voeren-werken","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/064/433/medium_500/img06102020_0001.jpg?1604057501","cached_actor_names":"Jef Verheyen, Ivo Michiels","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/064/433/large/img06102020_0001.jpg?1604057501","poster_credits":"(c) Scan: CKV, 2020 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":""},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":31341,"title":"722 Weer-spiegelingen (ed. 120)","dimensions":"43 x 31 cm","date_begin":"1979-01-01","material":"Linnen box with bindings and 4 serigraphs","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":118,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":4,"stream_count":0,"collection":"","cached_tag_list":"Jef Verheyen Weerspiegelingen Weer-spiegelingen Ivo Michiels Henri-Floris Jespers Nic van Bruggen Ten Bosch zeefdruk","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"","stream_count_app":32,"permalink":"722-weer-spiegelingen-ed-120","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"http://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/075/639/medium_500/722_4.jpeg?1636717188","cached_actor_names":"Henri-Floris Jespers, Ivo Michiels, Jef Verheyen","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":null,"poster_credits":null,"translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003e\u003cem\u003eWeer-spiegelingen\u003c/em\u003e consists of a turquoise linen sliding box containing the essay \u003cem\u003eWeer-spiegelingen\u0026nbsp;\u003c/em\u003e\u0026nbsp;in the handwriting of Jef Verheyen, printed\u003cem\u003e\u0026nbsp;\u003c/em\u003eon bounded paper\u0026nbsp;(29.5 x 42 cm). The essay is preceded by an introduction by Ivo Michiels and followed by a French translation by Henri- Floris Jespers. The set includes 4 original serigraphs (in gray shades)\u0026nbsp;by Jef Verheyen, numbered and signed by hand by the artist, and with dry stamp.\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eThe edition consists of 120 numbered and signed copies, and 15 artist\u0026#39;s proofs.\u0026nbsp;\u003cbr /\u003e\r\nPrice was\u0026nbsp;6,700 BF.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eLay-out: H. Binneweg \u0026amp; Nic van Bruggen\u003cbr /\u003e\r\nPublisher: \u0026amp; Vondel\u003cbr /\u003e\r\n\u003cbr /\u003e\r\nSerigraphs: 23,5 x 23,5 cm\u003cbr /\u003e\r\nText: 42 x 29,5 cm\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eOn the occasion of this edition, a personalised wine bottle was presented too.\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eThe essay is based on two (French) texts, written by Verheyen in Provence, July 1979\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n"},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":31342,"title":"Jef Verheyen 40","dimensions":"80 x 40 cm","date_begin":"1972-01-01","material":"Ink on paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":126,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":7,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"JV_52_06","stream_count_app":57,"permalink":"boek-40","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/075/642/medium_500/JV_01_01_11_a.jpg?1636720125","cached_actor_names":"Jef Verheyen, Ivo Michiels, Paul Ibou, Frank Philippi, Multi-Art Gallery, Multi-Art Press International, Liliane Emma Staal","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/075/642/large/JV_01_01_11_a.jpg?1636720125","poster_credits":"(c)scan: CKV, 2021 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":""},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":30579,"title":"• 0709 • Untitled","dimensions":"40 x 40 cm","date_begin":"1956-01-01","material":"Paint on slate","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":181,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":3,"stream_count":0,"collection":"Private","cached_tag_list":"Jef Verheyen Deutsche Buchgemeinschaft Ivo Michiels Adriaan de Roover","publishing_process_id":1,"annotation":"\u003cp\u003e---------------------------------------------------------------------------\u003cbr /\u003e\r\nCa. 1956\u003cbr /\u003e\r\nUnsigned on the reverse\u0026nbsp;\u003cbr /\u003e\r\nUndated on the reverse\u003cbr /\u003e\r\nUntitled on the reverse\u003cbr /\u003e\r\n\u003cbr /\u003e\r\nSigned and dated \u0026#39;1952\u0026#39; afterwards, by Adriaan De Roover, according to the current owner.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003e\u003cbr /\u003e\r\nAccording to Ivo Michiels, the work was part of Verheyen\u0026#39;s solo exhibtion at the Deutsche Buchgemeinschaft (Antwerp) in 1956. In his review of this exhibition, the author mentions works on slate.\u003c/p\u003e\r\n","date_end":null,"reference":"","stream_count_app":36,"permalink":"709-untitled","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/072/923/medium_500/709_1.JPG?1624366505","cached_actor_names":"Jef Verheyen, Deutsche Buchgemeinschaft, Ivo Michiels, Adriaan de Roover","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/072/923/large/709_1.JPG?1624366505","poster_credits":"(c)Jef Verheyen, photo: Jef Verheyen Archive, 2021","translations":[{"locale":"en","description":""},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":31405,"title":"Invitation to the first exhibition in Galleria Pater, Milan","dimensions":"","date_begin":"1958-01-01","material":"Ink on paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":218,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":3,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Comhaire Pater","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"","stream_count_app":34,"permalink":"comhaire-verheyen","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/075/762/medium_500/JV_01_02_09_c.jpg?1637673378","cached_actor_names":"Jef Verheyen, Ivo Michiels, Galleria Pater, Comhaire, André Comhaire","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/075/762/large/JV_01_02_09_c.jpg?1637673378","poster_credits":"(c) Scan: CKV, 2021 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":""},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":31435,"title":"Jef Verheyen","dimensions":"","date_begin":"1973-01-01","material":"Ink on paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":26,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":20,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Lodz Museum Sztuki Eon Eoneum Jardin des templiers Weert 1959 Pour une peinture non plastique Ook een verhaal","publishing_process_id":1,"annotation":"\u003cp\u003e---------------------------------------------------------------------------\u003cbr\u003eNotes by the artist on the inside\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels,\u0026nbsp;\u003ci\u003eJef Verheyen, une autre histoire\u003c/i\u003e\u003cbr\u003e\u003ci\u003eJef Verheyen, \u003c/i\u003eextract from\u003ci\u003e\u0026nbsp;Pour une peinture non plastique,\u003c/i\u003e Jardin des Templiers, Weert, 1959\u003cbr\u003eJef Verheyen, \u003ci\u003ePourquoi l'un a-t-il le sens de la couleur et l'autre pas\u003c/i\u003e, 1966\u003c/p\u003e","date_end":null,"reference":"JV_19_10","stream_count_app":102,"permalink":"jef-verheyen-bde8df20-c263-4413-bfd6-d6ec8d62bb66","description_ru":"","description_de":"\u003cp\u003eNotes by the artist on the inside\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels,\u0026nbsp;\u003ci\u003eJef Verheyen, une autre histoire\u003c/i\u003e\u003cbr\u003e\u003ci\u003eJef Verheyen, \u003c/i\u003eextract from\u003ci\u003e\u0026nbsp;Pour une peinture non plastique,\u003c/i\u003e Jardin des Templiers, Weert, 1959\u003cbr\u003eJef Verheyen, \u003ci\u003ePourquoi l'un a-t-il le sens de la couleur et l'autre pas\u003c/i\u003e, 1966\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/075/846/medium_500/JV_19_10_a.jpg?1638276570","cached_actor_names":"Ivo Michiels, Frank Philippi, R. Stanislawski, Jef Verheyen","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/075/846/large/JV_19_10_a.jpg?1638276570","poster_credits":"(c) Scan: CKV, 2021 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eNotes by the artist on the inside\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels,\u0026nbsp;\u003ci\u003eJef Verheyen, une autre histoire\u003c/i\u003e\u003cbr\u003e\u003ci\u003eJef Verheyen, \u003c/i\u003eextract from\u003ci\u003e\u0026nbsp;Pour une peinture non plastique,\u003c/i\u003e Jardin des Templiers, Weert, 1959\u003cbr\u003eJef Verheyen, \u003ci\u003ePourquoi l'un a-t-il le sens de la couleur et l'autre pas\u003c/i\u003e, 1966\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e"},{"locale":"nl","description":"\u003cp\u003eNotes by the artist on the inside\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels,\u0026nbsp;\u003ci\u003eJef Verheyen, une autre histoire\u003c/i\u003e\u003cbr\u003e\u003ci\u003eJef Verheyen, \u003c/i\u003eextract from\u003ci\u003e\u0026nbsp;Pour une peinture non plastique,\u003c/i\u003e Jardin des Templiers, Weert, 1959\u003cbr\u003eJef Verheyen, \u003ci\u003ePourquoi l'un a-t-il le sens de la couleur et l'autre pas\u003c/i\u003e, 1966\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e"},{"locale":"fr","description":"\u003cp\u003eNotes by the artist on the inside\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels,\u0026nbsp;\u003ci\u003eJef Verheyen, une autre histoire\u003c/i\u003e\u003cbr\u003e\u003ci\u003eJef Verheyen, \u003c/i\u003eextract from\u003ci\u003e\u0026nbsp;Pour une peinture non plastique,\u003c/i\u003e Jardin des Templiers, Weert, 1959\u003cbr\u003eJef Verheyen, \u003ci\u003ePourquoi l'un a-t-il le sens de la couleur et l'autre pas\u003c/i\u003e, 1966\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e"}]},{"id":31813,"title":"Twee Antwerpse Jongeren. Jef Verheyen: een nieuwe naam met stevige waarborgen. Paul Van Hoeydonck: een verrassing in de hoofdstad","dimensions":"","date_begin":"1956-01-01","material":"Ink on newspaper, collage","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":84,"category_id":112,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":1,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Ivo Michiels Antwerp Paul Van Hoeydonck Paul Klee Dani Franque","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"JV_40_08","stream_count_app":25,"permalink":"twee-antwerpse-jongeren-jef-verheyen-een-nieuwe-naam-met-stevige-waarborgen-paul-van-hoeydonck-een-verrassing-in-de-hoofdstad","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/076/947/medium_500/JV_40_08.jpg?1645181474","cached_actor_names":"Ivo Michiels, Jef Verheyen, Deutsche Buchgemeinschaft, Galerie Accent (Antwerpen)","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/076/947/large/JV_40_08.jpg?1645181474","poster_credits":"(c) Scan: CKV, 2022 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eHet Handelsblad\u003cbr /\u003e\r\n28 November 1956\u003cbr /\u003e\r\nIvo Michiels\u003c/p\u003e\r\n"},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":31815,"title":"Jef Verheyen di Ivo Michiels","dimensions":"","date_begin":"1957-01-01","material":"Ink on paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":25,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":1,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Ivo Michiels Lucio Fontana","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"JV_02_02","stream_count_app":19,"permalink":"jef-verheyen-di-ivo-michiels","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/076/950/medium_500/JV_02_02.jpg?1645188567","cached_actor_names":"Ivo Michiels, Jef Verheyen","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/076/950/large/JV_02_02.jpg?1645188567","poster_credits":"(c) Scan: CKV, 2022 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eI 4 Soli\u003cbr /\u003e\r\nanno IV numero 6\u003cbr /\u003e\r\np. 21\u003cbr /\u003e\r\nIvo Michiels\u003c/p\u003e\r\n"},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":31904,"title":"Jef Verheyen Peintre Flamand (Art Actuel)","dimensions":"1/4 page","date_begin":"1959-01-01","material":"Ink on newspaper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":112,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":3,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Ivo Michiels Peintre Flamand Peintre Flamant Art Actuel Galerie Kasper Lausanne","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"JV_02_26; JV_40_20","stream_count_app":23,"permalink":"jef-verheyen-peintre-flamand-art-actuel","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/084/714/medium_500/JV_40_20.jpg?1655895987","cached_actor_names":"Galerie Kasper, Jef Verheyen, Ivo Michiels","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/084/714/large/JV_40_20.jpg?1655895987","poster_credits":"(c) Scan: CKV, 2021 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eIvo Michiels\u003cbr /\u003e\r\n\u003cem\u003ejef verheyen peintre flamand\u003c/em\u003e\u003cbr /\u003e\r\nin: Art Actuel, 2i\u0026egrave;me ann\u0026eacute;e,\u0026nbsp;n. 11, 1959: n.p.\u003c/p\u003e\r\n"},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":31905,"title":"Jef Verheyen: Een drievoudige beweging (Museummagazine KMSKA)","dimensions":"5 pages","date_begin":"1984-01-01","material":"Ink on paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":112,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":7,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen KMSKA Museummagazine Jean F. Buyck","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"JV_02_29","stream_count_app":20,"permalink":"jef-verheyen-een-drievoudige-beweging-museummagazine-kmska","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/077/292/medium_500/JV_02_29_04.jpg?1646661141","cached_actor_names":"Ivo Michiels, Jef Verheyen","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":null,"short_description_uk":null,"description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/077/292/large/JV_02_29_04.jpg?1646661141","poster_credits":"(c) Scan: CKV, 2022 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eIvo Michiels\u003cbr /\u003e\r\n\u003cem\u003eJef Verheyen: Een drievoudige beweging\u003c/em\u003e\u003cbr /\u003e\r\nIn: KMSKA Museummagazine 1984/2, 1984: p. 4-8.\u003cbr /\u003e\r\n\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\r\n"},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":31907,"title":"Jef Verheyen. Anvers, septembre 1955","dimensions":"1 p.","date_begin":"1972-01-01","material":"ink on paper, collage","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":25,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":1,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Ivo Michiels Casa Roca Boek 40 Jef Verheyen 40","publishing_process_id":1,"annotation":"\u003cp\u003ePreparation for the bookmultiple \u003ci\u003eJef Verheyen 40\u003c/i\u003e\u003c/p\u003e\u003cp\u003eFrank Heirman refers to this text in his essay:\u003c/p\u003e\u003cp\u003eFrank Heirman, 'Ivo Michiels: Misschien wel een schrijver die schildert', in: \u003ci\u003eDeus ex Machina\u003c/i\u003e, 35, 138-139, 2011, 105-112.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e","date_end":null,"reference":"JV_02_32","stream_count_app":21,"permalink":"jef-verheyen-anvers-septembre-1955","description_ru":"","description_de":"\u003cp\u003ePreparation for the bookmultiple \u003ca href=\"https://ensembles.org/items/boek-40/assets/75642\"\u003e\u003ci\u003eJef Verheyen 40\u003c/i\u003e\u003c/a\u003e\u003c/p\u003e","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"\u003cp\u003ePreparation for the bookmultiple \u003ci\u003eJef Verheyen 40\u003c/i\u003e\u003c/p\u003e","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/077/298/medium_500/JV_02_32.jpg?1646663342","cached_actor_names":"Ivo Michiels, Jef Verheyen","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/077/298/large/JV_02_32.jpg?1646663342","poster_credits":"(c)scan: CKV, 2022 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003e= preparation for the book multiple \u003ca href=\"https://ensembles.org/items/boek-40/assets/75642\"\u003e\u003ci\u003eJef Verheyen 40\u003c/i\u003e\u003c/a\u003e\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e"},{"locale":"nl","description":"\u003cp\u003e= voorbereiding op het boekmultiple \u003ci\u003eJ\u003c/i\u003e\u003ca href=\"https://ensembles.org/items/boek-40/assets/75642\"\u003e\u003ci\u003eef Verheyen 40\u003c/i\u003e\u003c/a\u003e\u003c/p\u003e"},{"locale":"fr","description":"\u003cp\u003ePreparation for the bookmultiple \u003ca href=\"https://ensembles.org/items/boek-40/assets/75642\"\u003e\u003ci\u003eJef Verheyen 40\u003c/i\u003e\u003c/a\u003e\u003c/p\u003e"}]},{"id":24086,"title":"Het lichtgewicht van de schilder Jef Verheyen ","dimensions":"11 p.","date_begin":"1984-01-01","material":"ink on paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":84,"category_id":25,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":11,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Vlaanderen Morgen Lichtgewicht Ivo Michiels","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"","stream_count_app":85,"permalink":"het-lichtgewicht-van-de-schilder-jef-verheyen","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/051/348/medium_500/24086_1.jpg?1582017399","cached_actor_names":"Ivo Michiels, Jef Verheyen","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/051/348/large/24086_1.jpg?1582017399","poster_credits":"(c)scan: CKV, 2020 - I.C.C. Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eIn:\u0026nbsp;Vlaanderen Morgen (1984) Nr. 2: p. 34-44.\u003c/p\u003e"},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":31908,"title":"Ivo Michiels: Misschien wel een schrijver die schildert","dimensions":"5 p.","date_begin":"2011-01-01","material":"ink on paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":25,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":0,"stream_count":0,"collection":"","cached_tag_list":"Jef Verheyen Boek 40 Ivo Michiels Casa Roca","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"","stream_count_app":9,"permalink":"ivo-michiels-misschien-wel-een-schrijver-die-schildert","description_ru":"","description_de":"\u003cp\u003eFrank Heirman, 'Ivo Michiels: Misschien wel een schrijver die schildert', in: \u003ci\u003eDeus ex Machina\u003c/i\u003e, 35, 138-139, 2011, 105-112.\u003cbr\u003e\u003cbr\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003ch2\u003eIvo Michiels\u003c/h2\u003e\u003ch2\u003eMisschien wel een schrijver die schildert\u003c/h2\u003e\u003cp\u003e1. Correspondances\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“Mijn grote, mijn enige, mijn eerste hartstocht”, verwoordde Charles Baudelaire (1821-1867) zijn liefde voor de schilderkunst. De dichter van ‘Les fleurs du mal’ was één van de eerste schrijvers die zich intens met plastische kunsten inliet. De jaarlijkse kunstsalons volgde hij op de voet, hij schreef kritieken en nam gedurfde stellingen in. Met Eugène Delacroix had hij een blijvende band. Keer op keer zocht hij naar de essentie van diens romantische genie. “Als Delacroix een schilderij componeert, kijkt hij in zichzelf in plaats van door het raam te staren. Uit de schepping heeft hij al lang datgene gehaald wat zijn kunst nodig heeft, en dat geeft zijn schilderijen hun intieme aantrekkingskracht, al ogen ze op het eerste gezicht onaangenaam”, ontdekte de dichter, die overigens als criticus schatplichtig was aan zijn voorganger Théophile Gautier.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eBaudelaire hield de kunstkritiek niet gescheiden van zijn andere werk. Zijn voorkeur voor het groteske en de combinatie van het hoge en het lage vond hij terug in prenten en schilderijen. Sommige gedichten zijn een regelrechte poging om ‘Correspondances’ te vinden tussen verf en inkt.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVanaf Baudelaire, waarmee de kunstgeschiedenis graag de moderne poëzie laat beginnen, vormt belangstelling voor plastische kunsten een rode draad in de literatuur. Vooral de experimentele poëzie vond nieuwe wegen via het contact met plastische kunsten. Mallarmé, Apollinaire, Tzara, Breton schieten te binnen. Ook de Vlaamse literatuur biedt treffende voorbeelden. Karel Van de Woestyne wist zich in Latem omringd door expressionistische schilders, maar was ook vertrouwd met de voorgangers van Les XX en James Ensor. Paul Van Ostaijen sloot een verbond met Oscar en Floris Jespers en Paul Joostens, maar boekte de meeste vooruitgang door zijn kennis van het Franse kubisme en zijn dadaïstische contacten in Berlijn.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOnmiddellijk na de schoolbanken belandde Hugo Claus in kringen van schilders en beeldhouwers. Op achttienjarige leeftijd was hij betrokken bij de groep La Relève waarvan Roger Raveel en Jan Burssens deel uitmaakten. Twee jaar later, in 1949, introduceerde beeldhouwer Florent Wellens hem in Les Ateliers du Marais, de woon- en werkplaats van Pierre Alechinsky waar ook Reinhoud, Jan Cox en vele oud-leden van Cobra zich ophielden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOok voor Ivo Michiels speelde de kunstscene, net zoals de filmwereld, een doorslaggevende rol in zijn evolutie als schrijver. Maar het was geen liefde op het eerste gezicht. Er ging een leerproces aan vooraf, waarin de schrijver zijn eigen leermeester was.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e2. Springen of niet-springen\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn 1949 zit Ivo Michiels, nochtans zes jaar ouder dan Hugo Claus, nog helemaal opgesloten in zijn cocon van idealistische poëzie en strijdbaar maar toch ook progressief katholiek engagement. Van plastische kunsten is er nog geen spoor. De liefde voor schilderijen kreeg hij niet van thuis of van schoolleraars mee.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels was zich bewust van zijn intellectuele achterstand en kreeg de gelegenheid zichzelf bij te werken, toen hij vanaf 1948 aan het Handelsblad mocht meewerken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe eerste jaren schreef hij over film en literatuur. Pas na vier jaar verzorgde hij een eerste kunstbijdrage, gewijd aan Jack Godderis (1916-1971). Merkwaardig: over die Antwerpse schilder zou hij het vaakst schrijven in de krant, vijf artikels in totaal. En nog merkwaardiger: Michiels zou Godderis, een figuur die vandaag passé is en wiens oeuvre nauwelijks evolutie vertoonde, trouw blijven tot zijn ontslag bij de krant in 1958. Hij waardeert diens zoektocht naar beheersing en harmonie. Vooral diens portretten vond hij ‘ontheven’. Michiels’ belangstelling moet meer gewekt zijn door de artistieke figuur Godderis en diens eerlijkheid, dan door zijn stijl. Zijn grimmig coloriet dat afwijkt van de werkelijkheid paste bij het existentialisme begin jaren vijftig, waarvoor Michiels toen ontvankelijk was\u003c/p\u003e\u003cp\u003eTot begin 1954 schreef Michiels slechts hoogst sporadisch over schone kunsten. Daarna drukte hij zijn stempel op de rubriek ‘Geestesleven’, een pagina op dinsdag waarvoor hij romans en plastische kunst recenseerde. ‘Geestesleven’ was moderner dan de titel liet vermoeden. Walter De Block signaleerde er al eens belangrijke jazzplaten en ook Paul De Vree schreef er af en toe voor. Het moet een stimulerende biotoop geweest zijn, met Michiels als spil.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eWaarover schrijft Michiels in de krant? Nauwelijks over het verleden en al zeker niet over het vooroorlogse kunstgebeuren. Hij kan niet voorbij aan de grote evenementen, zoals het jaarlijkse salon van ‘Kunst van Heden’ in de Stadsfeestzaal, maar eigenlijk heeft hij weinig te melden over de retrospectieven. Op het salon van 1954 betwist hij niet de verdiensten van Gustaaf De Smet en de revolutionair Paul Joostens, maar het raakt hem niet echt. Hij ontdekt er liever Anne Bonnet en Jan Saverys. In een tentoonstelling bij het Grafisch Genootschap datzelfde jaar in hij al even onbegrijpelijk meer getroffen door de anekdotische jonge etser René De Coninck dan door de vormvernieuwers van de jaren twintig. Hij vindt Frans Masereel en Henri Van Straten gedateerd. “Het is niet iets maar de illustratie van iets.” Het is ook tekenend dat hij over de abstracte pionier Jozef Peeters geen woord schrijft, hoewel hij wel een schilderij van hem zou verwerven, dat hij later aan een vriend cadeau zou doen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels heeft duidelijk meer voeling met de jonge schilders die zich in 1945 verenigden in Jeune Peinture. Na de traumatische oorlogsjaren probeerden ze weer aansluiting te vinden bij een voorzichtig modernisme. Zij schipperden tussen figuratie en abstractie. Een deel maakte de sprong, anderen niet. Michiels stond voor een gelijkaardig dilemma. Kiezen deed hij niet. Hij sympathiseerde vooral voor artiesten die net niet sprongen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eJeune Peinture bestond als groep maar enkele jaren en vertakte naar tal van andere groeperingen zoals Cobra, Art Abstrait, Taptoe, Formes, allemaal van korte duur, maar met lange nawerking. Jack Godderis was lid van Jeune Peinture, net zoals Luc Peire, Rik Slabbinck, Gaston Bertrand, Marc Mendelson en Jan Vaerten. Michiels volgde deze opkomende artiesten met aandacht in meerdere artikels. Vooral over Peire die van langgerekte Afrikaanse figuurtjes naar streepschilderijen evolueerde, was hij enthousiast.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHun exposities vonden vooral plaats in Het Atelier, de eerste vernieuwende galerie in het Antwerpse. Pip Wouters en kunstschilder Jan Vaerten hadden de ruimte in 1951 geopend. Collega Hubert Lampo, die kunstrecensies voor de socialistische Volksgazet schreef en die voor Michiels’ latere overstap naar de socialistische uitgeverij Ontwikkeling cruciaal zou zijn, verzorgde er vaak inleidingen. Onder de vaste bezoekers van Het Atelier bevonden zich schrijvers als Paul Neuhuys en Werner Spillemaeckers, choreografe Jeanne Brabants, architect Renaat Braem.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEen tweede belangrijke biotoop vond Michiels in het Centrum van Artistieke Werking (CAW), een zaal op de Meir, waar John Trouillard vanaf 1954 de exposities organiseerde. Het niveau wisselde, maar het was hier dat nieuwlichters hun eerste kansen kregen. Hier kon Michiels zo nu en dan zijn eigen generatie ontdekken. Een revelatie was de expositie van Paul Van Hoeydonck (1925), die met zijn taferelen uit de Antwerpse haven en Marokko de grens van de abstractie aftastte. Hij is zo enthousiast dat hij naar het atelier trekt om te zien hoe Van Hoeydonck “een sprong uit de anekdote en het bijkomstige maakt” zonder te belanden “in het steriel constructivisme in het ijle.” “Hoe dichter zijn werk de abstractie zal benaderen, hoe meer het er van verlost zijn worden”, besluit hij profetisch.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOok de figuur John Trouillard zou in Michiels’ latere carrière terugkomen. In 1959 verzorgde hij de lay-out van ‘Albisola Mare, Savona’,\u0026nbsp; een verhaal in een beperkte editie met tekeningen van Wilfredo Lam en Roberto Crippa. In 1960 zou Trouillard het CAW openstellen voor de Nieuwe Vlaamse School van Jef Verheyen, inmiddels Michiels’ boezemvriend. Daarna startte hij de fameuze Ad Libitum-galerie waar Verheyen en zijn buitenlandse Zero-vrienden onderdak zouden krijgen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHet artistiek klimaat in Antwerpen kabbelt in de fifties gezapig op en neer. Maar in het seizoen 1956-57 keert het ten goede. Als kunstcriticus kan Michiels de interessante exposities niet meer bijhouden. In plaats van lange beschouwende stukken verschijnen steeds vaker losse foto’s, waarin hij zijn enthousiasme uitschreeuwt voor Marc Mendelson, Luc Peire, maar ook voor Michel Seuphor en nieuwe namen als Dan van Severen, Walter Leblanc\u0026nbsp; en Mark Verstockt. Die ontmoet hij in galerie Accent in de Lange Nieuwstraat 91, zijn nieuwe thuishaven. De galerie annex boekhandel en prentenkabinet van radio en tv-medewerker Hugo Hellemans, was een vertrouwd adres voor Michiels. Van 1947 tot 1951 had Paul De Vree in het huis, dat eigendom was van Maurice Gilliams, de boekhandel ‘De Brug’ geleid en was er het redactiesecretariaat van De Golfslag, het katholieke tijdschrift waarvan Michiels een stuwende kracht was.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eNaast Accent openden ook Galerie Vermeer in de Eikenstraat en Ravenna in de Korte Gasthuisstraat de deuren. De avant-garde kreeg ook expositiemogelijkheden in zoldercafé Gard Sivik en de Deutsche Buchgemeinschaft.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eAntwerpen was rijp voor de creatieve explosie van G58 in het Hessenhuis. Michiels maakte het van op de eerste rij mee, maar niet meer als onderzoekend journalist, wel als overtuigd kunstfan, beginnend verzamelaar en vriend van tal van G58-leden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e3. Zoekende kunstcriticus\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHoe belangrijk waren de kunstkritieken van Michiels uit de jaren vijftig? Jan Hoet schreef er in 1980 in het Michiels-nummer van het tijdschrift Restant geestdriftig over. “Zij vormen een onschatbare bron van informatie en een heldere en boeiende lectuur voor wie wenst kennis op te doen over de naoorlogse periode, echo’s op te vangen van de strijd en de polemieken die rond de tegenstelling ‘figuratief’ en ‘non-figuratief’ werden\u0026nbsp; gevoerd”, vindt Hoet.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDat klopt. Vijftig jaar na datum blijven het goed leesbare tijdsdocumenten, wat van de meeste krantenkritiek vandaag niet meer gezegd zal kunnen worden. Michiels bijdragen zijn voor de huidige normen lange, persoonlijke stukken waarin hij geen afzonderlijke werken beschrijft, maar steeds behoedzaam een synthese formuleert. Aanpak en stijl wijken grondig af van de huidige journalistieke kunstkritiek, die zich al te vaak beperkt tot een objectieve situering van de artiest, weetjes over de expo en een typering van opmerkelijke werken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels schrijft in de wij- of ik-vorm en richt zich duidelijk tot een groep ingewijden die hem week na week volgen. Hij tracht te verwoorden wat hij bijgeleerd heeft, wat het belang is van wat hij gezien heeft en maakt voorspellingen voor de toekomst. Als er een vervolgstuk komt, soms jaren later, grijpt hij terug naar wat hij eerder vaststelde. Het is duidelijk dat Michiels als criticus een missie heeft. Het verleden wil hij niet corrigeren, maar hij wil inzicht verwerven in de artistieke productie van het moment en van daaruit aanduiden welke richting de kunst het best uitgaat.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels is een kind van zijn tijd. In de jaren vijftig bezat de kunstcriticus nog gezag. De allergrootsten hadden zelfs een onuitputtelijke macht. De beroemdste naoorlogse criticus Clement Greenberg wist door zijn geschriften en invloed het artistieke middelpunt te verleggen van Parijs naar New York. Hij schoof Jackson Pollock en Willem De Kooning als nieuwe Picasso’s naar voren, een visie die de kunstmarkt overnam. Een kunstcriticus in de 21\u003csup\u003este\u003c/sup\u003e eeuw kan alleen maar cynisch toekijken hoe de artistieke trends elkaar steeds sneller opvolgen. Robert Hughes, de toonaangevende stem van Time Magazine, kon enkele vaststellen dat de criticus gedegradeerd was tot een pianist in een bordeel. “Je hebt geen invloed van wat er zich boven allemaal afspeelt”, gaf hij toe.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels wist, ondanks de kleine en steeds teruglopende oplage van Het Handelsblad, zijn stem gehoord. Zijn actieradius beperkte zich tot Antwerpen, met af en toe een zijsprongetje naar bevriende galeries in Brussel en Brugge. Michiels werd zeker gewaardeerd. Galeriehouders en kunstenaars solliciteerden naar zijn mening, maar hij werd nooit de doorslaggevende criticus die de bakens wist te verzetten. Daarvoor was de periode dat hij de scene volgde te kort en zijn corpus te beperkt. Bovendien vielen zijn activiteiten juist in een overdracht van de macht. Na de oorlog was Jan Walravens (1920), de kunstredacteur van Het Laatste Nieuws en stichter van het experimentele tijdschrift Tijd en Mens, de luidste stem die het existentialisme, experimentele poëzie, Jeune Peinture en Cobra\u0026nbsp; voortrok. In het debat van figuratieven en niet-figuratieven kozen Brusselaar Maurits Bilcke en de jonge Marc Callewaert in Gazet van Antwerpen sneller en radicaler de kaart van de jonge abstracten. In tegenstelling tot Michiels legden zij wel de link met de historische avant-garde, visten ze Jozef Peeters en Victor Servranckx op. Als eerste presenteerde Bilcke, samen met Jeune Peinture-schilder Jo Delahaut, hun werk in Saint-Laurent, dé pilootgalerie in Brussel, waar Michiels af en toe kwam kijken. Marc Callewaert engageerde zich honderd percent in het kanteljaar 1958 en werd voorzitter, tentoonstellingsmaker en tekstschrijver van G58. Dat hij daarover ook nog eens uitvoerig en positief berichtte in Gazet van Antwerpen was misschien deontologisch over de schreef, maar het zorgde wel voor een ruime belangstelling.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOp het moment dat Michiels, sneller dan zijn collega’s, nieuwe kunstaders ontdekte, berichtte hij niet meer wekelijks over zijn speurtocht. Gelukkig kon hij het ontgonnen goud op een andere manier verwerken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e4. Bondgenoot Jef Verheyen\u003c/p\u003e\u003cp\u003eSchrijven over Ivo Michiels en de plastische kunsten is schrijven over Jef Verheyen (1932-1984). “De schilder die mij in leven en kunst waarschijnlijk het meest na heeft gestaan”, getuigt Michiels in ‘Daar komen scherven van’, Boek 7 van Journal Brut dat over de plastische kunsten gaat en voor een groot deel over Verheyen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels verwijst graag naar hem als de Schilder, met hoofdletter. Verheyen was overigens meer dan een schilder. Tijdens zijn opleiding aan de Academie sloot hij aan bij De Nevelvlek en zat in de redactie van hun tijdschrift Het Kahier, schreef manifesten, publiceerde in Nul en De Tafelronde, hield af en toe een dagboek bij en was een verwoed brievenschrijver. Ook met andere schrijvers als Paul De Vree, Nic Van Bruggen en Guy Vaes was hij close, maar de vriendschap met Michiels was van een meer persoonlijke, creatieve aard.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn Michiels’ eerste echte experimentele verhaal ‘Albisola Mare, Savona’ uit 1959 duikt Verheyen even op als de Antwerpse vriend V. Ze zijn samen op bezoek in het huis van Wilfredo Lam aan de Ligurische kust. In deze ‘superieure, fel psychisch geladen reisherinnering’ (dixit Hubert Lampo) komen ook Lucio Fontana, Roberto Crippa, Walasse Ting en Asger Jorn voor, allen onder voor insiders herkenbare schuilnaam. Michiels was in de kunstenaarskolonie van Albisola Mare, bekend voor zijn keramiekateliers, verzeild geraakt dank zij Jef Veheyen, die hem meenam.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVerheyen, gezegend met lef en een sterk ego, nam in hun vriendschap bijna steeds het initiatief. Hij was het die in september 1955 Michiels aanspraak in diens stamcafé Casa Roca op de hoek van de Meir en de Kolveniersstraat. Hij klopte stoutweg op het vensterraam en vroeg of de criticus zijn pas geopende keramiekatelier achter de hoek in de Rubensstraat niet wilde komen bezoeken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;Michiels legde zeventien jaar later die eerste ontmoeting vast in een tekst die verscheen in de boekmultiple ‘Jef Verheyen 40’, uitgegeven ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de schilder. Michiels herinnerde zich de uitnodiging van Verheyen als een bevel en hij gehoorzaamde.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOp 18 oktober 1955 schrijft hij een bijdrage in het Handelsblad, een beetje weggestoken in de verzamelrubriek ‘de Antwerpse salons’. Michiels is positief over het gedurfde niet-commerciële initiatief van Verheyen, diens partner Dani Francq en Marina Van Acker die samen het keramiekatelier hadden opgezet, maar hij heeft duidelijk nog geen kijk op de keramiekkunst. Hij vindt het werk zuiver van lijn en eerlijk, maar vermoedt de enorme ambities van Verheyen nog niet.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEen jaar later, op 28 november 1956, publiceert hij een tweede en meteen laatste stuk over Verheyen in Het Handelsblad. Aanleiding was diens allereerste soloshow bij de Deutsche Buchgemeinschaft in de Lange Leemstraat. Hoewel het slechts een bescheiden schilderijenexpositie betrof, ziet Michiels nu wel\u0026nbsp; “de artistieke ernst” ervan in. Daarbij speelde mee dat hij ondertussen al meermaals het schildersatelier had bezocht en ook kennis had van de grote werken die Verheyen niet kon tonen in de kleine boekhandel. Michiels zag het verband in matièrebehandeling en kleurgebruik tussen de geëxposeerde doeken en de vroegere keramiekwerken, maar hij wist ook dat Verheyen al een stadium verder was gevorderd. “In deze grotere doeken treedt deze jongere al veel rijper naar voor en verrast hij de toeschouwer door een compositorisch vermogen dat respect afdwingt, terwijl het ritme van het schilderij groeit uit een boeiende verkaveling van het oppervlak in vlakken en onderverdeling van vlakken welke in hun kleinste onderdeel ook elk afzonderlijk nog aan een eigen door de matière gestimuleerde spanning onderworpen zijn.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe recensie wint nog aan kracht doordat Michiels ze koppelt aan een al even extatische kritiek van het nieuwe werk dat Paul Van Hoeydonck in Brussel toonde. Van Hoeydonck is op dat moment de kunstenaar in wie de criticus het sterkst gelooft. Weldra zal Verheyen die positie overnemen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e5. Wonderjaren 1957-1959\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn 1957 komt alles in een stroomversnelling. De uiterlijke omstandigheden lijken nochtans ongunstig: Het Handelsblad gaat op de fles en wordt overgenomen door De Standaard met als gevolg dat Michiels zijn baan verliest. Gelukkig wordt hij even doorbetaald en kan hij op 1 december terecht bij uitgeverij Ontwikkeling. Financieel gaat hij er flink op vooruit. In 1957 publiceert hij ook ‘Het afscheid’, in zijn ogen zijn echte debuut en de roman die hem onomstotelijk in het kamp van de vernieuwers brengt.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn dat kamp profileert zich ook steeds nadrukkelijker Jef Verheyen, met wie Michiels de vriendschapsbanden aanhaalt. De eerste brieven gaan over en weer in wat zal uitgroeien tot een indrukwekkende correspondentie. Najaar 1957 heeft Verheyen zijn eerste belangrijke solo-expositie in galerie Accent in Antwerpen en legt hij met Walter Vanermen, Jef Kersting , Herman Denkens en André Comhaire de basis van wat zal uitgroeien tot G58.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMet het wegvallen van Het Handelsblad richt Michiels zich tot vaktijdschriften, in de eerste plaats het katholieke Periscoop dat in 1950 door professor René Lissens was opgericht als blad voor literaire kritiek maar geleidelijk aan meer aandacht ging schenken aan plastische kunsten. Volgens Michiels was het tijdschrift ook op beter papier gedrukt, wat sterkere illustraties toeliet. Michiels keek ook naar het buitenland. In het Italiaans-Franse I 4 Soli, waarvan hij in Het Handelsblad enkele nummers positief besprak, publiceerde hij eind 1957 al een belangrijke tekst over Jef Verheyen, in het Frans. “Voor Verheyen is een schilderij een wereld die perfect en helemaal onafhankelijk is. Meer zelfs: het is een eerste appél dat uitgeroepen en gehoord wordt, daarvoor was er niets tenzij de leegte en de stilte”, meldt Michiels.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn februari 1958 heeft Verheyen, die de zomer daarvoor het pad was gaan effenen, zijn eerste tentoonstelling beet in Milaan, bij galerie Pater. Michiels schreef de tekst voor het vouwblaadje bij de vernissage, waarop hij aanwezig was. Veertien jaar later zou hij het afscheidstafereel met Verheyen op het perron in Milaan beschrijven, een tekst die meermaals verscheen en die uiteindelijk ook in Journal Brut, Boek 7 belandde.\u0026nbsp; “Ik was hem vanuit Antwerpen nagereisd, was een paar dagen bij hem in Milaan gebleven, reed nu het eerst weer terug, hem achterlatend met het restant van wat schamele lires. Maar hij bleef. Omdat het moest. Ergens moest het. Hij bleef om morgen misschien toch nog een schilderij te verkopen, iemand te ontmoeten die geld gaf, of niet eens geld, die een weg openmaakte.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn zijn missie in Milaan slaagde Jef Verheyen met onderscheiding. Hij verkocht een blauw schilderij aan Fontana en sloot vriendschap met Crippa, later ook met Manzoni\u0026nbsp; en vele anderen. Michiels werd eveneens in die kringen geïntroduceerd en bracht verslag uit in\u0026nbsp; Het Kahier 11 van 1958, waar Verheyen in de redactieraad zat, en in ‘Milanese brief’ in de Periscoop. In Journal Brut zouden nog tal van heroïsche anekdotes uit de woelige Italiaanse periode gerecupereerd worden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels beperkte zijn rol niet louter tot kijker en commentator, maar koos uitdrukkelijk partij voor Verheyen en zijn Italiaanse vrienden. Zo kreeg hij het via Willy Vaerewijck, directeur van uitgeverij\u0026nbsp; Ontwikkeling, gedaan dat hij een beeldje van Crippa kon plaatsen in het Paviljoen van de Pers op de Wereldexpositie. Hij ging het persoonlijk ophalen in Milaan. Michiels schreef ook een brief aan Herman Teirlinck met de vraag of de Belgische Staat geen werk kon aankopen van de veelbelovende kunstenaar Jef Verheyen. De vraag kwam veel te vroeg.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEen gemiste kans want Verheyen ging door op zijn elan. Eind 1958 presenteerde hij het monochrome schilderij ‘De lucht is vol van uw warmte’ op de openingsexpositie van G58 in het Hessenhuis. Na ruzie verliet hij de groep en vond hij expositiemogelijkheden in Zwitserland, waar hoteleigenaar en galeriehouder Hans Liechti zijn mecenas en promotor werd. In Düsseldorf sloot hij vriendschap met Günther Uecker en Otto Piene van de Zero-beweging, waarvan hij de Belgische ambassadeur werd.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels publiceerde ondertussen over Verheyen waar en wanneer hij maar de gelegenheid kreeg. Hij schreef een openingswoord voor een expo in Rotterdam en leverde bijdragen aan het Franstalige Art Actuel en De Kunstmeridiaan, verbonden aan de Brusselse Taptoe-galerie waar hij Asger Jorn en Wallase Ting beter leerde kennen. Toen in 1959 dichters en kunstenaars\u0026nbsp; van G58, De Tafelronde, Het Kahier en Frontaal elkaar even vonden in het ‘Modernistisch Centrum’, hield Michiels een lezing over ‘Abstracte kunst’, een richting waarvoor hij nu voluit overstag ging.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn deze periode van druk atelierbezoek, gesprekken onder kunstenaars en drinkgelagen begint Michiels ook kunst te verzamelen en te verhandelen. “Het had alles met vriendschap en generositeit te maken, de slechte kanten van de business bestonden in de jaren vijftig nog nauwelijks”, blikt hij vandaag terug.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe gulle Fontana die graag jongeren rondom zich had, gaf hem een werkje van Asger Jorn cadeau. Van Baj kocht hij een groot doek op afbetaling omdat de eerste koper, die hij zelf had aangebracht, uiteindelijk een ander werk wilde.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels zou een benijdenswaardige verzameling opbouwen met sleutelwerken van Baj, Fontana, Engelbert Van Anderlecht en Jef Verheyen, van wie hij meermaals cruciale werken uitleenden voor tentoonstellingen in musea. Ook stukken van de Zero-beweging en popart kwamen in zijn bezit.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eUit geldnoodzaak verkocht hij nu en dan werk door. Bij zijn verhuizing naar Frankrijk zou het merendeel van de collectie worden verkocht, met uitzondering van enkele Verheyens. Michiels beweert dat hij nooit kunstwerken zo maar op veiling bracht, maar ze steeds aanbood aan vrienden of bevriende galeriehouders.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn tegenstelling tot vele collega’s zoals Paul Van Ostaijen, Maurice Gilliams, Gaston Burssens, Paul De Vree, Adriaan De Roover, Louis Paul Boon, Hugo Claus, Gust Gils, Paul Snoek, Patrick Conrad en Hugues C. Pernath waagde Michiels zich niet aan het maken van kunst. Volgens de schrijver zou Jef Verheyen hem daar wel toe aangespoord hebben, maar zelf oordeelde hij dat zijn talenten elders lagen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e6. Naar de essentie\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn de jaren zestig volgt Ivo Michiels het galeriewezen nog wel, zeker zolang hij in Antwerpen woont, bemiddelt en verkoopt wat, maar laat de organisatie en propaganda van Jef Verheyen en diens entourage over aan anderen. Die anderen zijn dan Paul De Vree, zijn soulmate van De Tafelronde, en Nic Van Bruggen, de jonge kunstcriticus van De Nieuwe Gazet en aspirant-dichter. In zijn eerste bundel ‘Revolver’ (1962) zou die zich uitdrukkelijk beroepen op de plastische theorieën van Jef Verheyen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eKenmerkend is dat niet Michiels, maar wel Paul De Vree en Nic Van Bruggen de Nieuwe Vlaamse School boven de doopvont hielden en er samen met Verheyen het manifest van schreven. De groep bestond uit afgescheurde G58-leden en nieuwe vrienden van Verheyen zoals Engelbert Van Anderlecht, Guy Mees en Guy Vandenbranden. De Nieuwe Vlaamse School ging van start op 15 oktober 1960 met een expositie in het CAW, niet toevallig op dezelfde dag als de derde groepstentoonstelling van G58. Er werd met modder gegooid, maar Michiels mengde zich niet.\u003c/p\u003e\u003cp\u003ePolemiek had hij altijd al gemeden. Zijn hart ging meer uit naar abstractie dan figuratie, maar hij hield steeds beide polen in het oog, net zoals hij handig schipperde\u0026nbsp; tussen de ‘koude’ constructivistische en ‘warme’ lyrische abstracten. Kiezen tussen de Nieuwe Vlaamse School van Jef Verheyen en G58 van\u0026nbsp; Paul Van Hoeydonck, Bert De Leeuw en Walter Leblanc was een dilemma. Met Verheyen had hij een zielsband, maar het werk van Van Hoeydonck en Leblanc hoefde hij daarvoor toch niet af te zweren?\u003c/p\u003e\u003cp\u003eGelukkig moest hij als criticus zijn kop niet meer uit te steken, want na 1960 beoefende Michiels geen journalistiek meer. Alle publicaties stonden voortaan in het teken van creatief schrijven. Creatief, dat wilde voor hem zeggen: de lessen die hij van Verheyen en andere schilders geleerd had ,omzetten in taal. Geen beschrijving of omschrijving meer, geen illustratie en ballast, maar de essentie. Of\u0026nbsp; in de zienswijze van Jef Verheyen: geen impressionisme, maar het wezen van kleur en licht.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn de Alfa-cyclus, die Michiels tussen 1963 en 1979 liet verschijnen, gaat hij met klanken, zinnen en teksten omspringen zoals een schilder met vlakverdeling en ruimtewerking, kleur en licht. ‘Het boek Alfa’ begint symbolisch in de modder, dikke matièreverf, maar er staan ook speelse Cobra-achtige passages in en koele constructies. Het plastische hoogtepunt valt in ‘Exit’, het middendeel van de Alfa-cyclus dat na 130 bladzijde repetitieve bezwering eindigt op de vijftiende letter van het alfabet: de 0 of het cijfer nul, een directe hommage aan de Zero-beweging, die de terugkeer naar de nulgraad van de schilderkunst voorstond.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDaarna kan er in ‘Dixit’ weer opgebouwd worden. In de tiendelige Journal Brut-cyclus zal het hele gamma van plasticiteit aan bod komen: van barok tot minimaal.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“Bij Zero, Verheyen en Fontana, voelde ik mij als schrijver het nauwst betrokken. Hoewel Cobra, Jorn vooral, ook Corneille, geregeld hun kleurkopje opsteken in mijn schriftuur”, becommentarieert Michiels vandaag het belang van de plastische kunsten voor zijn romanoeuvre.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eParallel met het ontstaan van de Alfa-cyclus publiceert Michiels ook schaarse gelegenheidsteksten, geschreven op verzoek van kunstenaars, galeriehouders, film- of theaterproducenten. Onmogelijk om er een genrebepaling op te kleven. Raadselachtig\u0026nbsp; poëzie, een herinnering of dagboekfragment, een imaginaire dialoog, essayistische\u0026nbsp; duidingen, taalspel? Meestal mengt hij de vormen door elkaar.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe teksten liggen in het verlengde van ‘Albisola mare, Savona’, handelen over kunst, zijn hyperpersoonlijk en richten zich tot een publiek van ingewijden dat op dezelfde golflengte zit. Ze verschijnen op kleine oplagen in gespecialiseerde tijdschriften, catalogi of dure kunstedities. Zo was ‘Babyblauw en suikergoedrose’, een in memoriam voor Lucio Fontana, te lezen in het tijdschrift Raam in 1969.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e‘Jef Verheyen, schilder. Ook een verhaal’ vond een plek in de dure boekmultiple ‘Jef Verheyen 40’, uitgebracht ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de schilder. Bij die gelegenheid werd ook een legendarisch feest gehouden in het kasteel in het Rivierenhof in Deurne. Verheyen, Michiels en fotograaf Frank Philippi werkten nauw samen aan dit megalomaan project van vormgever en uitgever Paul Ibou. De tekstschrijver was 85.000 frank (2000 euro) beloofd en 3 percent van de verkoop, maar door het faillissement van Paul Ibou en zijn Multi Art Gallery kwam daar niets van terecht.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHet boekje ‘Zes keer een aanloop’ begeleidde een expo van Alechinsky bij de Antwerpse galerie Lens Fine Art. ‘Het fietsje van Szukalski’ hoorde bij een expo in The Antwerp Gallery in de Lamorinièrestraat, waar ook Verheyen een keer exposeerde. De van oorsprong Poolse beeldhouwer en collagekunstenaar begon zijn carrière als assistent van Jef Verheyen en maakte een serie neusportretten waarin Michiels en Verheyen figureerden. In 1979 schreef Michiels vier gedichten/teksten bij evenveel seriegrafieën van Mark Verstockt, met wie hij al kennis had gemaakt eind jaren vijftig in galerie Accent.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMet al deze kunstteksten laat\u0026nbsp; Michiels een volstrekt eigen stem horen. In 1979 bundelde Walter Soethoudt ze\u0026nbsp; in ‘Luister hoe dit beeld hoe die lijn hoe die kleur hoe dit vlak luister’. De bundel had even goed ‘Zie hoe deze klank, hoe dit woord, hoe deze zin, hoe deze tekst, zie’ kunnen heten. Als ‘scherven’ kregen ze een terechte plek in Journal Brut Boek 7, samen met andere herinneringen uit de kunstwereld.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e7. Frankrijk\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn de zomer van 1974 zet Jef Verheyen weer een nieuwe stap. Hij laat Antwerpen achter zich en verhuist naar Les Talons in Saint Saturnin d’ Apt in de Provence. Hij kon de sprong wagen dankzij enkele oude en nieuwe gefortuneerde verzamelaars zoals de Duitser Gerhard Lenz, dokter Jos Macken, Louis Bogaerts (die twee van zijn Verheyens opofferde om ze door Fontana te laten doorboren), galeriehouder Marcel Stal, Baron Antonino von Hoerde, Carlo Van den Bossche en de jonge, beginnende antiquair Axel Vervoordt. Verheyen zat vanaf zijn bijdrage aan de Biënnale van Venetië ook steviger in een Europees circuit van musea en galeries.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eTussen de Provence en het landelijke Zonnegem, waar Michiels woont, gaapt een afstand. Verheyen behoudt wel een atelier in Antwerpen, maar de twee zien elkaar steeds minder. Wel voeren ze een drukke correspondentie. Van Verheyen bewaart het Letterenhuis bijna zeventig overwegend lange brieven gericht aan Michiels.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eSteeds terugkerend onderwerpen zijn de eenzaamheid, de noodzaak om België en Antwerpen te verlaten\u0026nbsp; (“het zielige leven van de Vécu en de Boer van Tienen”) en de lof van Frankrijk.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp; “Wat dat land hier biedt, jongen, ik kan het echt niet zeggen. Ik stap van het ene schilderij in het andere, de ruimten liggen niet meer achter elkaar, op elkander, allemaal deuren die ik open en terug dicht doe…”, schrijft Verheyen op 9 oktober 1974.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEn op 16 december klinkt het zo: “De eenzaamheid en de onafhankelijkheid zijn dingen die noodzakelijk zijn voor iemand die tot het uiterste wil gaan, in creatieve zin. En voor wat zou ik eigenlijk leven. Voor de schilderkunst en voor niets anders in feite. Ik weet niet of het zal lukken maar in de provinciale brol van België wil ik niet stikken. Ik sterf liever voor iets dat de moeite is dan in een beerput te verzuipen.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVerheyen mist Michiels. Hij wil zijn oordeel kennen over zijn nieuwe doeken, maar is ook benieuwd naar diens schrijfwerk. “De bezwering (obsessie vind ik niet juist) die jij met je woorden tracht te bereiken, ligt me zo nabij, dat ik het duidelijk kan voelen”, laat hij weten.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe volgende jaren laat Verheyen geen gelegenheid voorbijgaan om Michiels uit te nodigen om in Frankrijk te komen schrijven. In 1978 begint hij ook tips te geven over interessante huizen die hij hem in de buurt te koop staan. In 1979 waagt Michiels op zijn beurt de overtocht en nestelt zich in Le Barroux, zo’n 50 kilometer noordelijker dan Saint Saturnin d’ Apt. Uitgerekend in die periode is Verheyen vaak in Antwerpen, Zwitserland en Duitsland voor de voorbereiding van Zero-tentoonstellingen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eToch vinden ze de tijd om aan twee gezamenlijke luxeprojecten te werken. ‘Weerspiegelingen’ in 1979 bevat twee litho’s, een tekst van Jef Verheyen en een commentaar van Michiels. Michiels stelt vast dat Verheyen veel teksten geschreven heeft en taal een drijfveer was voor de schilder, zoals plastische kunst voor hem als schrijver. Hij besluit: “Tekst en beeld zijn er al van oudsher op uit elkaar aan te vullen, soms in een typisch twintigste-eeuwse huwelijk, uitgroeiend tot een authentieke integratie. Van sommige zal het dan zelfs moeilijk worden, uit te maken welke taal primair de hunne is: die van het zien, of die van het horen, die van de verf of die van de inkt.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003e‘Le Grand Oeuvre’ in 1982 uitgegeven door galerie Erker in Sankt Gallen brengt tien litho’s van Jef Verheyen samen met tien teksten van Ivo Michiels. De bekende Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt stelt het werk voor in Sankt Gallen. In Antwerpen houden Julien Schoenaerts en Henri-Floris Jespers het boven de doopvont in het Oserriethhuis op de Meir.\u0026nbsp; “Jef maakte tien litho's in zwart-wit, terwijl de tien teksten van mij eveneens op steen werden geschreven, maar dan in kleur. Jef was trots op zijn vondst”, herinnerde Michiels zich deze samenwerking, die hun afscheid zou worden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOp 2 maart 1984 sterft Jef Verheyen aan de gevolgen van een hartaanval op de judomat van zijn sportclub in Apt. Hij wordt begraven in een grafkelder in Croagnes.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e8. En maar vliegen\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels blijft verweesd achter en heeft nog negen delen van zijn opus ‘Journal Brut’ te schrijven. Een jaar na Verheyens dood publiceert hij deel 2, ‘Het boek der nauwe relaties’. De Schilder mocht daarin niet ontbreken. In het hoofdstuk ‘De witte tenten voor de hoge ramen’ blikt Michiels terug op diens begrafenis. Terwijl hij met een roos voor het graf staat, brengen zijn gedachten hem terug naar een memorabele nacht in Venetië. Het is 1981: Jef Verheyen heeft zijn beste vrienden uitgenodigd in een onderkomen paleis. Terwijl de anderen slapen, filosoferen de schilder en de schrijver over de nietigheid van het bestaan en de grootheid van kunst.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels noteert hun dialoog:\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“Zeker een schrijver.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOf een schilder.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMisschien wel een schrijver die schildert\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMisschien wel een schilder die schrijft\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe ene kunst en de andere kunst, vogel is vogel.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eWolken zijn wolken, ik bedoel woorden.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“En maar vliegen”, zegt hij.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eWaarop Verheyen twee planken neemt en ermee als een steltloper begint rond te lopen, op hoge poten boven het banale. Baudelaire knikt instemmend: een knappe correspondance, kunst als poësis, niet als mimesis.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eFrank HEIRMAN\u003c/p\u003e","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":null,"cached_actor_names":"Frank Heirman, Ivo Michiels, Jef Verheyen","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":null,"poster_credits":null,"translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eFrank Heirman, 'Ivo Michiels: Misschien wel een schrijver die schildert', in: \u003ci\u003eDeus ex Machina\u003c/i\u003e, 35, 138-139, 2011, 105-112.\u003cbr\u003e\u003cbr\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003ch2\u003eIvo Michiels\u003c/h2\u003e\u003ch2\u003eMisschien wel een schrijver die schildert\u003c/h2\u003e\u003cp\u003e1. Correspondances\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“Mijn grote, mijn enige, mijn eerste hartstocht”, verwoordde Charles Baudelaire (1821-1867) zijn liefde voor de schilderkunst. De dichter van ‘Les fleurs du mal’ was één van de eerste schrijvers die zich intens met plastische kunsten inliet. De jaarlijkse kunstsalons volgde hij op de voet, hij schreef kritieken en nam gedurfde stellingen in. Met Eugène Delacroix had hij een blijvende band. Keer op keer zocht hij naar de essentie van diens romantische genie. “Als Delacroix een schilderij componeert, kijkt hij in zichzelf in plaats van door het raam te staren. Uit de schepping heeft hij al lang datgene gehaald wat zijn kunst nodig heeft, en dat geeft zijn schilderijen hun intieme aantrekkingskracht, al ogen ze op het eerste gezicht onaangenaam”, ontdekte de dichter, die overigens als criticus schatplichtig was aan zijn voorganger Théophile Gautier.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eBaudelaire hield de kunstkritiek niet gescheiden van zijn andere werk. Zijn voorkeur voor het groteske en de combinatie van het hoge en het lage vond hij terug in prenten en schilderijen. Sommige gedichten zijn een regelrechte poging om ‘Correspondances’ te vinden tussen verf en inkt.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVanaf Baudelaire, waarmee de kunstgeschiedenis graag de moderne poëzie laat beginnen, vormt belangstelling voor plastische kunsten een rode draad in de literatuur. Vooral de experimentele poëzie vond nieuwe wegen via het contact met plastische kunsten. Mallarmé, Apollinaire, Tzara, Breton schieten te binnen. Ook de Vlaamse literatuur biedt treffende voorbeelden. Karel Van de Woestyne wist zich in Latem omringd door expressionistische schilders, maar was ook vertrouwd met de voorgangers van Les XX en James Ensor. Paul Van Ostaijen sloot een verbond met Oscar en Floris Jespers en Paul Joostens, maar boekte de meeste vooruitgang door zijn kennis van het Franse kubisme en zijn dadaïstische contacten in Berlijn.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOnmiddellijk na de schoolbanken belandde Hugo Claus in kringen van schilders en beeldhouwers. Op achttienjarige leeftijd was hij betrokken bij de groep La Relève waarvan Roger Raveel en Jan Burssens deel uitmaakten. Twee jaar later, in 1949, introduceerde beeldhouwer Florent Wellens hem in Les Ateliers du Marais, de woon- en werkplaats van Pierre Alechinsky waar ook Reinhoud, Jan Cox en vele oud-leden van Cobra zich ophielden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOok voor Ivo Michiels speelde de kunstscene, net zoals de filmwereld, een doorslaggevende rol in zijn evolutie als schrijver. Maar het was geen liefde op het eerste gezicht. Er ging een leerproces aan vooraf, waarin de schrijver zijn eigen leermeester was.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e2. Springen of niet-springen\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn 1949 zit Ivo Michiels, nochtans zes jaar ouder dan Hugo Claus, nog helemaal opgesloten in zijn cocon van idealistische poëzie en strijdbaar maar toch ook progressief katholiek engagement. Van plastische kunsten is er nog geen spoor. De liefde voor schilderijen kreeg hij niet van thuis of van schoolleraars mee.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels was zich bewust van zijn intellectuele achterstand en kreeg de gelegenheid zichzelf bij te werken, toen hij vanaf 1948 aan het Handelsblad mocht meewerken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe eerste jaren schreef hij over film en literatuur. Pas na vier jaar verzorgde hij een eerste kunstbijdrage, gewijd aan Jack Godderis (1916-1971). Merkwaardig: over die Antwerpse schilder zou hij het vaakst schrijven in de krant, vijf artikels in totaal. En nog merkwaardiger: Michiels zou Godderis, een figuur die vandaag passé is en wiens oeuvre nauwelijks evolutie vertoonde, trouw blijven tot zijn ontslag bij de krant in 1958. Hij waardeert diens zoektocht naar beheersing en harmonie. Vooral diens portretten vond hij ‘ontheven’. Michiels’ belangstelling moet meer gewekt zijn door de artistieke figuur Godderis en diens eerlijkheid, dan door zijn stijl. Zijn grimmig coloriet dat afwijkt van de werkelijkheid paste bij het existentialisme begin jaren vijftig, waarvoor Michiels toen ontvankelijk was\u003c/p\u003e\u003cp\u003eTot begin 1954 schreef Michiels slechts hoogst sporadisch over schone kunsten. Daarna drukte hij zijn stempel op de rubriek ‘Geestesleven’, een pagina op dinsdag waarvoor hij romans en plastische kunst recenseerde. ‘Geestesleven’ was moderner dan de titel liet vermoeden. Walter De Block signaleerde er al eens belangrijke jazzplaten en ook Paul De Vree schreef er af en toe voor. Het moet een stimulerende biotoop geweest zijn, met Michiels als spil.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eWaarover schrijft Michiels in de krant? Nauwelijks over het verleden en al zeker niet over het vooroorlogse kunstgebeuren. Hij kan niet voorbij aan de grote evenementen, zoals het jaarlijkse salon van ‘Kunst van Heden’ in de Stadsfeestzaal, maar eigenlijk heeft hij weinig te melden over de retrospectieven. Op het salon van 1954 betwist hij niet de verdiensten van Gustaaf De Smet en de revolutionair Paul Joostens, maar het raakt hem niet echt. Hij ontdekt er liever Anne Bonnet en Jan Saverys. In een tentoonstelling bij het Grafisch Genootschap datzelfde jaar in hij al even onbegrijpelijk meer getroffen door de anekdotische jonge etser René De Coninck dan door de vormvernieuwers van de jaren twintig. Hij vindt Frans Masereel en Henri Van Straten gedateerd. “Het is niet iets maar de illustratie van iets.” Het is ook tekenend dat hij over de abstracte pionier Jozef Peeters geen woord schrijft, hoewel hij wel een schilderij van hem zou verwerven, dat hij later aan een vriend cadeau zou doen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels heeft duidelijk meer voeling met de jonge schilders die zich in 1945 verenigden in Jeune Peinture. Na de traumatische oorlogsjaren probeerden ze weer aansluiting te vinden bij een voorzichtig modernisme. Zij schipperden tussen figuratie en abstractie. Een deel maakte de sprong, anderen niet. Michiels stond voor een gelijkaardig dilemma. Kiezen deed hij niet. Hij sympathiseerde vooral voor artiesten die net niet sprongen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eJeune Peinture bestond als groep maar enkele jaren en vertakte naar tal van andere groeperingen zoals Cobra, Art Abstrait, Taptoe, Formes, allemaal van korte duur, maar met lange nawerking. Jack Godderis was lid van Jeune Peinture, net zoals Luc Peire, Rik Slabbinck, Gaston Bertrand, Marc Mendelson en Jan Vaerten. Michiels volgde deze opkomende artiesten met aandacht in meerdere artikels. Vooral over Peire die van langgerekte Afrikaanse figuurtjes naar streepschilderijen evolueerde, was hij enthousiast.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHun exposities vonden vooral plaats in Het Atelier, de eerste vernieuwende galerie in het Antwerpse. Pip Wouters en kunstschilder Jan Vaerten hadden de ruimte in 1951 geopend. Collega Hubert Lampo, die kunstrecensies voor de socialistische Volksgazet schreef en die voor Michiels’ latere overstap naar de socialistische uitgeverij Ontwikkeling cruciaal zou zijn, verzorgde er vaak inleidingen. Onder de vaste bezoekers van Het Atelier bevonden zich schrijvers als Paul Neuhuys en Werner Spillemaeckers, choreografe Jeanne Brabants, architect Renaat Braem.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEen tweede belangrijke biotoop vond Michiels in het Centrum van Artistieke Werking (CAW), een zaal op de Meir, waar John Trouillard vanaf 1954 de exposities organiseerde. Het niveau wisselde, maar het was hier dat nieuwlichters hun eerste kansen kregen. Hier kon Michiels zo nu en dan zijn eigen generatie ontdekken. Een revelatie was de expositie van Paul Van Hoeydonck (1925), die met zijn taferelen uit de Antwerpse haven en Marokko de grens van de abstractie aftastte. Hij is zo enthousiast dat hij naar het atelier trekt om te zien hoe Van Hoeydonck “een sprong uit de anekdote en het bijkomstige maakt” zonder te belanden “in het steriel constructivisme in het ijle.” “Hoe dichter zijn werk de abstractie zal benaderen, hoe meer het er van verlost zijn worden”, besluit hij profetisch.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOok de figuur John Trouillard zou in Michiels’ latere carrière terugkomen. In 1959 verzorgde hij de lay-out van ‘Albisola Mare, Savona’,\u0026nbsp; een verhaal in een beperkte editie met tekeningen van Wilfredo Lam en Roberto Crippa. In 1960 zou Trouillard het CAW openstellen voor de Nieuwe Vlaamse School van Jef Verheyen, inmiddels Michiels’ boezemvriend. Daarna startte hij de fameuze Ad Libitum-galerie waar Verheyen en zijn buitenlandse Zero-vrienden onderdak zouden krijgen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHet artistiek klimaat in Antwerpen kabbelt in de fifties gezapig op en neer. Maar in het seizoen 1956-57 keert het ten goede. Als kunstcriticus kan Michiels de interessante exposities niet meer bijhouden. In plaats van lange beschouwende stukken verschijnen steeds vaker losse foto’s, waarin hij zijn enthousiasme uitschreeuwt voor Marc Mendelson, Luc Peire, maar ook voor Michel Seuphor en nieuwe namen als Dan van Severen, Walter Leblanc\u0026nbsp; en Mark Verstockt. Die ontmoet hij in galerie Accent in de Lange Nieuwstraat 91, zijn nieuwe thuishaven. De galerie annex boekhandel en prentenkabinet van radio en tv-medewerker Hugo Hellemans, was een vertrouwd adres voor Michiels. Van 1947 tot 1951 had Paul De Vree in het huis, dat eigendom was van Maurice Gilliams, de boekhandel ‘De Brug’ geleid en was er het redactiesecretariaat van De Golfslag, het katholieke tijdschrift waarvan Michiels een stuwende kracht was.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eNaast Accent openden ook Galerie Vermeer in de Eikenstraat en Ravenna in de Korte Gasthuisstraat de deuren. De avant-garde kreeg ook expositiemogelijkheden in zoldercafé Gard Sivik en de Deutsche Buchgemeinschaft.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eAntwerpen was rijp voor de creatieve explosie van G58 in het Hessenhuis. Michiels maakte het van op de eerste rij mee, maar niet meer als onderzoekend journalist, wel als overtuigd kunstfan, beginnend verzamelaar en vriend van tal van G58-leden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e3. Zoekende kunstcriticus\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHoe belangrijk waren de kunstkritieken van Michiels uit de jaren vijftig? Jan Hoet schreef er in 1980 in het Michiels-nummer van het tijdschrift Restant geestdriftig over. “Zij vormen een onschatbare bron van informatie en een heldere en boeiende lectuur voor wie wenst kennis op te doen over de naoorlogse periode, echo’s op te vangen van de strijd en de polemieken die rond de tegenstelling ‘figuratief’ en ‘non-figuratief’ werden\u0026nbsp; gevoerd”, vindt Hoet.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDat klopt. Vijftig jaar na datum blijven het goed leesbare tijdsdocumenten, wat van de meeste krantenkritiek vandaag niet meer gezegd zal kunnen worden. Michiels bijdragen zijn voor de huidige normen lange, persoonlijke stukken waarin hij geen afzonderlijke werken beschrijft, maar steeds behoedzaam een synthese formuleert. Aanpak en stijl wijken grondig af van de huidige journalistieke kunstkritiek, die zich al te vaak beperkt tot een objectieve situering van de artiest, weetjes over de expo en een typering van opmerkelijke werken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels schrijft in de wij- of ik-vorm en richt zich duidelijk tot een groep ingewijden die hem week na week volgen. Hij tracht te verwoorden wat hij bijgeleerd heeft, wat het belang is van wat hij gezien heeft en maakt voorspellingen voor de toekomst. Als er een vervolgstuk komt, soms jaren later, grijpt hij terug naar wat hij eerder vaststelde. Het is duidelijk dat Michiels als criticus een missie heeft. Het verleden wil hij niet corrigeren, maar hij wil inzicht verwerven in de artistieke productie van het moment en van daaruit aanduiden welke richting de kunst het best uitgaat.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels is een kind van zijn tijd. In de jaren vijftig bezat de kunstcriticus nog gezag. De allergrootsten hadden zelfs een onuitputtelijke macht. De beroemdste naoorlogse criticus Clement Greenberg wist door zijn geschriften en invloed het artistieke middelpunt te verleggen van Parijs naar New York. Hij schoof Jackson Pollock en Willem De Kooning als nieuwe Picasso’s naar voren, een visie die de kunstmarkt overnam. Een kunstcriticus in de 21\u003csup\u003este\u003c/sup\u003e eeuw kan alleen maar cynisch toekijken hoe de artistieke trends elkaar steeds sneller opvolgen. Robert Hughes, de toonaangevende stem van Time Magazine, kon enkele vaststellen dat de criticus gedegradeerd was tot een pianist in een bordeel. “Je hebt geen invloed van wat er zich boven allemaal afspeelt”, gaf hij toe.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels wist, ondanks de kleine en steeds teruglopende oplage van Het Handelsblad, zijn stem gehoord. Zijn actieradius beperkte zich tot Antwerpen, met af en toe een zijsprongetje naar bevriende galeries in Brussel en Brugge. Michiels werd zeker gewaardeerd. Galeriehouders en kunstenaars solliciteerden naar zijn mening, maar hij werd nooit de doorslaggevende criticus die de bakens wist te verzetten. Daarvoor was de periode dat hij de scene volgde te kort en zijn corpus te beperkt. Bovendien vielen zijn activiteiten juist in een overdracht van de macht. Na de oorlog was Jan Walravens (1920), de kunstredacteur van Het Laatste Nieuws en stichter van het experimentele tijdschrift Tijd en Mens, de luidste stem die het existentialisme, experimentele poëzie, Jeune Peinture en Cobra\u0026nbsp; voortrok. In het debat van figuratieven en niet-figuratieven kozen Brusselaar Maurits Bilcke en de jonge Marc Callewaert in Gazet van Antwerpen sneller en radicaler de kaart van de jonge abstracten. In tegenstelling tot Michiels legden zij wel de link met de historische avant-garde, visten ze Jozef Peeters en Victor Servranckx op. Als eerste presenteerde Bilcke, samen met Jeune Peinture-schilder Jo Delahaut, hun werk in Saint-Laurent, dé pilootgalerie in Brussel, waar Michiels af en toe kwam kijken. Marc Callewaert engageerde zich honderd percent in het kanteljaar 1958 en werd voorzitter, tentoonstellingsmaker en tekstschrijver van G58. Dat hij daarover ook nog eens uitvoerig en positief berichtte in Gazet van Antwerpen was misschien deontologisch over de schreef, maar het zorgde wel voor een ruime belangstelling.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOp het moment dat Michiels, sneller dan zijn collega’s, nieuwe kunstaders ontdekte, berichtte hij niet meer wekelijks over zijn speurtocht. Gelukkig kon hij het ontgonnen goud op een andere manier verwerken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e4. Bondgenoot Jef Verheyen\u003c/p\u003e\u003cp\u003eSchrijven over Ivo Michiels en de plastische kunsten is schrijven over Jef Verheyen (1932-1984). “De schilder die mij in leven en kunst waarschijnlijk het meest na heeft gestaan”, getuigt Michiels in ‘Daar komen scherven van’, Boek 7 van Journal Brut dat over de plastische kunsten gaat en voor een groot deel over Verheyen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels verwijst graag naar hem als de Schilder, met hoofdletter. Verheyen was overigens meer dan een schilder. Tijdens zijn opleiding aan de Academie sloot hij aan bij De Nevelvlek en zat in de redactie van hun tijdschrift Het Kahier, schreef manifesten, publiceerde in Nul en De Tafelronde, hield af en toe een dagboek bij en was een verwoed brievenschrijver. Ook met andere schrijvers als Paul De Vree, Nic Van Bruggen en Guy Vaes was hij close, maar de vriendschap met Michiels was van een meer persoonlijke, creatieve aard.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn Michiels’ eerste echte experimentele verhaal ‘Albisola Mare, Savona’ uit 1959 duikt Verheyen even op als de Antwerpse vriend V. Ze zijn samen op bezoek in het huis van Wilfredo Lam aan de Ligurische kust. In deze ‘superieure, fel psychisch geladen reisherinnering’ (dixit Hubert Lampo) komen ook Lucio Fontana, Roberto Crippa, Walasse Ting en Asger Jorn voor, allen onder voor insiders herkenbare schuilnaam. Michiels was in de kunstenaarskolonie van Albisola Mare, bekend voor zijn keramiekateliers, verzeild geraakt dank zij Jef Veheyen, die hem meenam.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVerheyen, gezegend met lef en een sterk ego, nam in hun vriendschap bijna steeds het initiatief. Hij was het die in september 1955 Michiels aanspraak in diens stamcafé Casa Roca op de hoek van de Meir en de Kolveniersstraat. Hij klopte stoutweg op het vensterraam en vroeg of de criticus zijn pas geopende keramiekatelier achter de hoek in de Rubensstraat niet wilde komen bezoeken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;Michiels legde zeventien jaar later die eerste ontmoeting vast in een tekst die verscheen in de boekmultiple ‘Jef Verheyen 40’, uitgegeven ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de schilder. Michiels herinnerde zich de uitnodiging van Verheyen als een bevel en hij gehoorzaamde.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOp 18 oktober 1955 schrijft hij een bijdrage in het Handelsblad, een beetje weggestoken in de verzamelrubriek ‘de Antwerpse salons’. Michiels is positief over het gedurfde niet-commerciële initiatief van Verheyen, diens partner Dani Francq en Marina Van Acker die samen het keramiekatelier hadden opgezet, maar hij heeft duidelijk nog geen kijk op de keramiekkunst. Hij vindt het werk zuiver van lijn en eerlijk, maar vermoedt de enorme ambities van Verheyen nog niet.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEen jaar later, op 28 november 1956, publiceert hij een tweede en meteen laatste stuk over Verheyen in Het Handelsblad. Aanleiding was diens allereerste soloshow bij de Deutsche Buchgemeinschaft in de Lange Leemstraat. Hoewel het slechts een bescheiden schilderijenexpositie betrof, ziet Michiels nu wel\u0026nbsp; “de artistieke ernst” ervan in. Daarbij speelde mee dat hij ondertussen al meermaals het schildersatelier had bezocht en ook kennis had van de grote werken die Verheyen niet kon tonen in de kleine boekhandel. Michiels zag het verband in matièrebehandeling en kleurgebruik tussen de geëxposeerde doeken en de vroegere keramiekwerken, maar hij wist ook dat Verheyen al een stadium verder was gevorderd. “In deze grotere doeken treedt deze jongere al veel rijper naar voor en verrast hij de toeschouwer door een compositorisch vermogen dat respect afdwingt, terwijl het ritme van het schilderij groeit uit een boeiende verkaveling van het oppervlak in vlakken en onderverdeling van vlakken welke in hun kleinste onderdeel ook elk afzonderlijk nog aan een eigen door de matière gestimuleerde spanning onderworpen zijn.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe recensie wint nog aan kracht doordat Michiels ze koppelt aan een al even extatische kritiek van het nieuwe werk dat Paul Van Hoeydonck in Brussel toonde. Van Hoeydonck is op dat moment de kunstenaar in wie de criticus het sterkst gelooft. Weldra zal Verheyen die positie overnemen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e5. Wonderjaren 1957-1959\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn 1957 komt alles in een stroomversnelling. De uiterlijke omstandigheden lijken nochtans ongunstig: Het Handelsblad gaat op de fles en wordt overgenomen door De Standaard met als gevolg dat Michiels zijn baan verliest. Gelukkig wordt hij even doorbetaald en kan hij op 1 december terecht bij uitgeverij Ontwikkeling. Financieel gaat hij er flink op vooruit. In 1957 publiceert hij ook ‘Het afscheid’, in zijn ogen zijn echte debuut en de roman die hem onomstotelijk in het kamp van de vernieuwers brengt.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn dat kamp profileert zich ook steeds nadrukkelijker Jef Verheyen, met wie Michiels de vriendschapsbanden aanhaalt. De eerste brieven gaan over en weer in wat zal uitgroeien tot een indrukwekkende correspondentie. Najaar 1957 heeft Verheyen zijn eerste belangrijke solo-expositie in galerie Accent in Antwerpen en legt hij met Walter Vanermen, Jef Kersting , Herman Denkens en André Comhaire de basis van wat zal uitgroeien tot G58.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMet het wegvallen van Het Handelsblad richt Michiels zich tot vaktijdschriften, in de eerste plaats het katholieke Periscoop dat in 1950 door professor René Lissens was opgericht als blad voor literaire kritiek maar geleidelijk aan meer aandacht ging schenken aan plastische kunsten. Volgens Michiels was het tijdschrift ook op beter papier gedrukt, wat sterkere illustraties toeliet. Michiels keek ook naar het buitenland. In het Italiaans-Franse I 4 Soli, waarvan hij in Het Handelsblad enkele nummers positief besprak, publiceerde hij eind 1957 al een belangrijke tekst over Jef Verheyen, in het Frans. “Voor Verheyen is een schilderij een wereld die perfect en helemaal onafhankelijk is. Meer zelfs: het is een eerste appél dat uitgeroepen en gehoord wordt, daarvoor was er niets tenzij de leegte en de stilte”, meldt Michiels.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn februari 1958 heeft Verheyen, die de zomer daarvoor het pad was gaan effenen, zijn eerste tentoonstelling beet in Milaan, bij galerie Pater. Michiels schreef de tekst voor het vouwblaadje bij de vernissage, waarop hij aanwezig was. Veertien jaar later zou hij het afscheidstafereel met Verheyen op het perron in Milaan beschrijven, een tekst die meermaals verscheen en die uiteindelijk ook in Journal Brut, Boek 7 belandde.\u0026nbsp; “Ik was hem vanuit Antwerpen nagereisd, was een paar dagen bij hem in Milaan gebleven, reed nu het eerst weer terug, hem achterlatend met het restant van wat schamele lires. Maar hij bleef. Omdat het moest. Ergens moest het. Hij bleef om morgen misschien toch nog een schilderij te verkopen, iemand te ontmoeten die geld gaf, of niet eens geld, die een weg openmaakte.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn zijn missie in Milaan slaagde Jef Verheyen met onderscheiding. Hij verkocht een blauw schilderij aan Fontana en sloot vriendschap met Crippa, later ook met Manzoni\u0026nbsp; en vele anderen. Michiels werd eveneens in die kringen geïntroduceerd en bracht verslag uit in\u0026nbsp; Het Kahier 11 van 1958, waar Verheyen in de redactieraad zat, en in ‘Milanese brief’ in de Periscoop. In Journal Brut zouden nog tal van heroïsche anekdotes uit de woelige Italiaanse periode gerecupereerd worden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels beperkte zijn rol niet louter tot kijker en commentator, maar koos uitdrukkelijk partij voor Verheyen en zijn Italiaanse vrienden. Zo kreeg hij het via Willy Vaerewijck, directeur van uitgeverij\u0026nbsp; Ontwikkeling, gedaan dat hij een beeldje van Crippa kon plaatsen in het Paviljoen van de Pers op de Wereldexpositie. Hij ging het persoonlijk ophalen in Milaan. Michiels schreef ook een brief aan Herman Teirlinck met de vraag of de Belgische Staat geen werk kon aankopen van de veelbelovende kunstenaar Jef Verheyen. De vraag kwam veel te vroeg.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEen gemiste kans want Verheyen ging door op zijn elan. Eind 1958 presenteerde hij het monochrome schilderij ‘De lucht is vol van uw warmte’ op de openingsexpositie van G58 in het Hessenhuis. Na ruzie verliet hij de groep en vond hij expositiemogelijkheden in Zwitserland, waar hoteleigenaar en galeriehouder Hans Liechti zijn mecenas en promotor werd. In Düsseldorf sloot hij vriendschap met Günther Uecker en Otto Piene van de Zero-beweging, waarvan hij de Belgische ambassadeur werd.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels publiceerde ondertussen over Verheyen waar en wanneer hij maar de gelegenheid kreeg. Hij schreef een openingswoord voor een expo in Rotterdam en leverde bijdragen aan het Franstalige Art Actuel en De Kunstmeridiaan, verbonden aan de Brusselse Taptoe-galerie waar hij Asger Jorn en Wallase Ting beter leerde kennen. Toen in 1959 dichters en kunstenaars\u0026nbsp; van G58, De Tafelronde, Het Kahier en Frontaal elkaar even vonden in het ‘Modernistisch Centrum’, hield Michiels een lezing over ‘Abstracte kunst’, een richting waarvoor hij nu voluit overstag ging.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn deze periode van druk atelierbezoek, gesprekken onder kunstenaars en drinkgelagen begint Michiels ook kunst te verzamelen en te verhandelen. “Het had alles met vriendschap en generositeit te maken, de slechte kanten van de business bestonden in de jaren vijftig nog nauwelijks”, blikt hij vandaag terug.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe gulle Fontana die graag jongeren rondom zich had, gaf hem een werkje van Asger Jorn cadeau. Van Baj kocht hij een groot doek op afbetaling omdat de eerste koper, die hij zelf had aangebracht, uiteindelijk een ander werk wilde.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels zou een benijdenswaardige verzameling opbouwen met sleutelwerken van Baj, Fontana, Engelbert Van Anderlecht en Jef Verheyen, van wie hij meermaals cruciale werken uitleenden voor tentoonstellingen in musea. Ook stukken van de Zero-beweging en popart kwamen in zijn bezit.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eUit geldnoodzaak verkocht hij nu en dan werk door. Bij zijn verhuizing naar Frankrijk zou het merendeel van de collectie worden verkocht, met uitzondering van enkele Verheyens. Michiels beweert dat hij nooit kunstwerken zo maar op veiling bracht, maar ze steeds aanbood aan vrienden of bevriende galeriehouders.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn tegenstelling tot vele collega’s zoals Paul Van Ostaijen, Maurice Gilliams, Gaston Burssens, Paul De Vree, Adriaan De Roover, Louis Paul Boon, Hugo Claus, Gust Gils, Paul Snoek, Patrick Conrad en Hugues C. Pernath waagde Michiels zich niet aan het maken van kunst. Volgens de schrijver zou Jef Verheyen hem daar wel toe aangespoord hebben, maar zelf oordeelde hij dat zijn talenten elders lagen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e6. Naar de essentie\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn de jaren zestig volgt Ivo Michiels het galeriewezen nog wel, zeker zolang hij in Antwerpen woont, bemiddelt en verkoopt wat, maar laat de organisatie en propaganda van Jef Verheyen en diens entourage over aan anderen. Die anderen zijn dan Paul De Vree, zijn soulmate van De Tafelronde, en Nic Van Bruggen, de jonge kunstcriticus van De Nieuwe Gazet en aspirant-dichter. In zijn eerste bundel ‘Revolver’ (1962) zou die zich uitdrukkelijk beroepen op de plastische theorieën van Jef Verheyen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eKenmerkend is dat niet Michiels, maar wel Paul De Vree en Nic Van Bruggen de Nieuwe Vlaamse School boven de doopvont hielden en er samen met Verheyen het manifest van schreven. De groep bestond uit afgescheurde G58-leden en nieuwe vrienden van Verheyen zoals Engelbert Van Anderlecht, Guy Mees en Guy Vandenbranden. De Nieuwe Vlaamse School ging van start op 15 oktober 1960 met een expositie in het CAW, niet toevallig op dezelfde dag als de derde groepstentoonstelling van G58. Er werd met modder gegooid, maar Michiels mengde zich niet.\u003c/p\u003e\u003cp\u003ePolemiek had hij altijd al gemeden. Zijn hart ging meer uit naar abstractie dan figuratie, maar hij hield steeds beide polen in het oog, net zoals hij handig schipperde\u0026nbsp; tussen de ‘koude’ constructivistische en ‘warme’ lyrische abstracten. Kiezen tussen de Nieuwe Vlaamse School van Jef Verheyen en G58 van\u0026nbsp; Paul Van Hoeydonck, Bert De Leeuw en Walter Leblanc was een dilemma. Met Verheyen had hij een zielsband, maar het werk van Van Hoeydonck en Leblanc hoefde hij daarvoor toch niet af te zweren?\u003c/p\u003e\u003cp\u003eGelukkig moest hij als criticus zijn kop niet meer uit te steken, want na 1960 beoefende Michiels geen journalistiek meer. Alle publicaties stonden voortaan in het teken van creatief schrijven. Creatief, dat wilde voor hem zeggen: de lessen die hij van Verheyen en andere schilders geleerd had ,omzetten in taal. Geen beschrijving of omschrijving meer, geen illustratie en ballast, maar de essentie. Of\u0026nbsp; in de zienswijze van Jef Verheyen: geen impressionisme, maar het wezen van kleur en licht.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn de Alfa-cyclus, die Michiels tussen 1963 en 1979 liet verschijnen, gaat hij met klanken, zinnen en teksten omspringen zoals een schilder met vlakverdeling en ruimtewerking, kleur en licht. ‘Het boek Alfa’ begint symbolisch in de modder, dikke matièreverf, maar er staan ook speelse Cobra-achtige passages in en koele constructies. Het plastische hoogtepunt valt in ‘Exit’, het middendeel van de Alfa-cyclus dat na 130 bladzijde repetitieve bezwering eindigt op de vijftiende letter van het alfabet: de 0 of het cijfer nul, een directe hommage aan de Zero-beweging, die de terugkeer naar de nulgraad van de schilderkunst voorstond.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDaarna kan er in ‘Dixit’ weer opgebouwd worden. In de tiendelige Journal Brut-cyclus zal het hele gamma van plasticiteit aan bod komen: van barok tot minimaal.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“Bij Zero, Verheyen en Fontana, voelde ik mij als schrijver het nauwst betrokken. Hoewel Cobra, Jorn vooral, ook Corneille, geregeld hun kleurkopje opsteken in mijn schriftuur”, becommentarieert Michiels vandaag het belang van de plastische kunsten voor zijn romanoeuvre.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eParallel met het ontstaan van de Alfa-cyclus publiceert Michiels ook schaarse gelegenheidsteksten, geschreven op verzoek van kunstenaars, galeriehouders, film- of theaterproducenten. Onmogelijk om er een genrebepaling op te kleven. Raadselachtig\u0026nbsp; poëzie, een herinnering of dagboekfragment, een imaginaire dialoog, essayistische\u0026nbsp; duidingen, taalspel? Meestal mengt hij de vormen door elkaar.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe teksten liggen in het verlengde van ‘Albisola mare, Savona’, handelen over kunst, zijn hyperpersoonlijk en richten zich tot een publiek van ingewijden dat op dezelfde golflengte zit. Ze verschijnen op kleine oplagen in gespecialiseerde tijdschriften, catalogi of dure kunstedities. Zo was ‘Babyblauw en suikergoedrose’, een in memoriam voor Lucio Fontana, te lezen in het tijdschrift Raam in 1969.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e‘Jef Verheyen, schilder. Ook een verhaal’ vond een plek in de dure boekmultiple ‘Jef Verheyen 40’, uitgebracht ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de schilder. Bij die gelegenheid werd ook een legendarisch feest gehouden in het kasteel in het Rivierenhof in Deurne. Verheyen, Michiels en fotograaf Frank Philippi werkten nauw samen aan dit megalomaan project van vormgever en uitgever Paul Ibou. De tekstschrijver was 85.000 frank (2000 euro) beloofd en 3 percent van de verkoop, maar door het faillissement van Paul Ibou en zijn Multi Art Gallery kwam daar niets van terecht.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHet boekje ‘Zes keer een aanloop’ begeleidde een expo van Alechinsky bij de Antwerpse galerie Lens Fine Art. ‘Het fietsje van Szukalski’ hoorde bij een expo in The Antwerp Gallery in de Lamorinièrestraat, waar ook Verheyen een keer exposeerde. De van oorsprong Poolse beeldhouwer en collagekunstenaar begon zijn carrière als assistent van Jef Verheyen en maakte een serie neusportretten waarin Michiels en Verheyen figureerden. In 1979 schreef Michiels vier gedichten/teksten bij evenveel seriegrafieën van Mark Verstockt, met wie hij al kennis had gemaakt eind jaren vijftig in galerie Accent.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMet al deze kunstteksten laat\u0026nbsp; Michiels een volstrekt eigen stem horen. In 1979 bundelde Walter Soethoudt ze\u0026nbsp; in ‘Luister hoe dit beeld hoe die lijn hoe die kleur hoe dit vlak luister’. De bundel had even goed ‘Zie hoe deze klank, hoe dit woord, hoe deze zin, hoe deze tekst, zie’ kunnen heten. Als ‘scherven’ kregen ze een terechte plek in Journal Brut Boek 7, samen met andere herinneringen uit de kunstwereld.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e7. Frankrijk\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn de zomer van 1974 zet Jef Verheyen weer een nieuwe stap. Hij laat Antwerpen achter zich en verhuist naar Les Talons in Saint Saturnin d’ Apt in de Provence. Hij kon de sprong wagen dankzij enkele oude en nieuwe gefortuneerde verzamelaars zoals de Duitser Gerhard Lenz, dokter Jos Macken, Louis Bogaerts (die twee van zijn Verheyens opofferde om ze door Fontana te laten doorboren), galeriehouder Marcel Stal, Baron Antonino von Hoerde, Carlo Van den Bossche en de jonge, beginnende antiquair Axel Vervoordt. Verheyen zat vanaf zijn bijdrage aan de Biënnale van Venetië ook steviger in een Europees circuit van musea en galeries.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eTussen de Provence en het landelijke Zonnegem, waar Michiels woont, gaapt een afstand. Verheyen behoudt wel een atelier in Antwerpen, maar de twee zien elkaar steeds minder. Wel voeren ze een drukke correspondentie. Van Verheyen bewaart het Letterenhuis bijna zeventig overwegend lange brieven gericht aan Michiels.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eSteeds terugkerend onderwerpen zijn de eenzaamheid, de noodzaak om België en Antwerpen te verlaten\u0026nbsp; (“het zielige leven van de Vécu en de Boer van Tienen”) en de lof van Frankrijk.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp; “Wat dat land hier biedt, jongen, ik kan het echt niet zeggen. Ik stap van het ene schilderij in het andere, de ruimten liggen niet meer achter elkaar, op elkander, allemaal deuren die ik open en terug dicht doe…”, schrijft Verheyen op 9 oktober 1974.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEn op 16 december klinkt het zo: “De eenzaamheid en de onafhankelijkheid zijn dingen die noodzakelijk zijn voor iemand die tot het uiterste wil gaan, in creatieve zin. En voor wat zou ik eigenlijk leven. Voor de schilderkunst en voor niets anders in feite. Ik weet niet of het zal lukken maar in de provinciale brol van België wil ik niet stikken. Ik sterf liever voor iets dat de moeite is dan in een beerput te verzuipen.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVerheyen mist Michiels. Hij wil zijn oordeel kennen over zijn nieuwe doeken, maar is ook benieuwd naar diens schrijfwerk. “De bezwering (obsessie vind ik niet juist) die jij met je woorden tracht te bereiken, ligt me zo nabij, dat ik het duidelijk kan voelen”, laat hij weten.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe volgende jaren laat Verheyen geen gelegenheid voorbijgaan om Michiels uit te nodigen om in Frankrijk te komen schrijven. In 1978 begint hij ook tips te geven over interessante huizen die hij hem in de buurt te koop staan. In 1979 waagt Michiels op zijn beurt de overtocht en nestelt zich in Le Barroux, zo’n 50 kilometer noordelijker dan Saint Saturnin d’ Apt. Uitgerekend in die periode is Verheyen vaak in Antwerpen, Zwitserland en Duitsland voor de voorbereiding van Zero-tentoonstellingen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eToch vinden ze de tijd om aan twee gezamenlijke luxeprojecten te werken. ‘Weerspiegelingen’ in 1979 bevat twee litho’s, een tekst van Jef Verheyen en een commentaar van Michiels. Michiels stelt vast dat Verheyen veel teksten geschreven heeft en taal een drijfveer was voor de schilder, zoals plastische kunst voor hem als schrijver. Hij besluit: “Tekst en beeld zijn er al van oudsher op uit elkaar aan te vullen, soms in een typisch twintigste-eeuwse huwelijk, uitgroeiend tot een authentieke integratie. Van sommige zal het dan zelfs moeilijk worden, uit te maken welke taal primair de hunne is: die van het zien, of die van het horen, die van de verf of die van de inkt.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003e‘Le Grand Oeuvre’ in 1982 uitgegeven door galerie Erker in Sankt Gallen brengt tien litho’s van Jef Verheyen samen met tien teksten van Ivo Michiels. De bekende Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt stelt het werk voor in Sankt Gallen. In Antwerpen houden Julien Schoenaerts en Henri-Floris Jespers het boven de doopvont in het Oserriethhuis op de Meir.\u0026nbsp; “Jef maakte tien litho's in zwart-wit, terwijl de tien teksten van mij eveneens op steen werden geschreven, maar dan in kleur. Jef was trots op zijn vondst”, herinnerde Michiels zich deze samenwerking, die hun afscheid zou worden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOp 2 maart 1984 sterft Jef Verheyen aan de gevolgen van een hartaanval op de judomat van zijn sportclub in Apt. Hij wordt begraven in een grafkelder in Croagnes.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e8. En maar vliegen\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels blijft verweesd achter en heeft nog negen delen van zijn opus ‘Journal Brut’ te schrijven. Een jaar na Verheyens dood publiceert hij deel 2, ‘Het boek der nauwe relaties’. De Schilder mocht daarin niet ontbreken. In het hoofdstuk ‘De witte tenten voor de hoge ramen’ blikt Michiels terug op diens begrafenis. Terwijl hij met een roos voor het graf staat, brengen zijn gedachten hem terug naar een memorabele nacht in Venetië. Het is 1981: Jef Verheyen heeft zijn beste vrienden uitgenodigd in een onderkomen paleis. Terwijl de anderen slapen, filosoferen de schilder en de schrijver over de nietigheid van het bestaan en de grootheid van kunst.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels noteert hun dialoog:\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“Zeker een schrijver.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOf een schilder.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMisschien wel een schrijver die schildert\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMisschien wel een schilder die schrijft\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe ene kunst en de andere kunst, vogel is vogel.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eWolken zijn wolken, ik bedoel woorden.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“En maar vliegen”, zegt hij.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eWaarop Verheyen twee planken neemt en ermee als een steltloper begint rond te lopen, op hoge poten boven het banale. Baudelaire knikt instemmend: een knappe correspondance, kunst als poësis, niet als mimesis.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eFrank HEIRMAN\u003c/p\u003e"},{"locale":"nl","description":"\u003cp\u003eFrank Heirman, 'Ivo Michiels: Misschien wel een schrijver die schildert', in: \u003ci\u003eDeus ex Machina\u003c/i\u003e, 35, 138-139, 2011, 105-112.\u003cbr\u003e\u003cbr\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003ch2\u003eIvo Michiels\u003c/h2\u003e\u003ch2\u003eMisschien wel een schrijver die schildert\u003c/h2\u003e\u003cp\u003e1. Correspondances\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“Mijn grote, mijn enige, mijn eerste hartstocht”, verwoordde Charles Baudelaire (1821-1867) zijn liefde voor de schilderkunst. De dichter van ‘Les fleurs du mal’ was één van de eerste schrijvers die zich intens met plastische kunsten inliet. De jaarlijkse kunstsalons volgde hij op de voet, hij schreef kritieken en nam gedurfde stellingen in. Met Eugène Delacroix had hij een blijvende band. Keer op keer zocht hij naar de essentie van diens romantische genie. “Als Delacroix een schilderij componeert, kijkt hij in zichzelf in plaats van door het raam te staren. Uit de schepping heeft hij al lang datgene gehaald wat zijn kunst nodig heeft, en dat geeft zijn schilderijen hun intieme aantrekkingskracht, al ogen ze op het eerste gezicht onaangenaam”, ontdekte de dichter, die overigens als criticus schatplichtig was aan zijn voorganger Théophile Gautier.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eBaudelaire hield de kunstkritiek niet gescheiden van zijn andere werk. Zijn voorkeur voor het groteske en de combinatie van het hoge en het lage vond hij terug in prenten en schilderijen. Sommige gedichten zijn een regelrechte poging om ‘Correspondances’ te vinden tussen verf en inkt.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVanaf Baudelaire, waarmee de kunstgeschiedenis graag de moderne poëzie laat beginnen, vormt belangstelling voor plastische kunsten een rode draad in de literatuur. Vooral de experimentele poëzie vond nieuwe wegen via het contact met plastische kunsten. Mallarmé, Apollinaire, Tzara, Breton schieten te binnen. Ook de Vlaamse literatuur biedt treffende voorbeelden. Karel Van de Woestyne wist zich in Latem omringd door expressionistische schilders, maar was ook vertrouwd met de voorgangers van Les XX en James Ensor. Paul Van Ostaijen sloot een verbond met Oscar en Floris Jespers en Paul Joostens, maar boekte de meeste vooruitgang door zijn kennis van het Franse kubisme en zijn dadaïstische contacten in Berlijn.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOnmiddellijk na de schoolbanken belandde Hugo Claus in kringen van schilders en beeldhouwers. Op achttienjarige leeftijd was hij betrokken bij de groep La Relève waarvan Roger Raveel en Jan Burssens deel uitmaakten. Twee jaar later, in 1949, introduceerde beeldhouwer Florent Wellens hem in Les Ateliers du Marais, de woon- en werkplaats van Pierre Alechinsky waar ook Reinhoud, Jan Cox en vele oud-leden van Cobra zich ophielden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOok voor Ivo Michiels speelde de kunstscene, net zoals de filmwereld, een doorslaggevende rol in zijn evolutie als schrijver. Maar het was geen liefde op het eerste gezicht. Er ging een leerproces aan vooraf, waarin de schrijver zijn eigen leermeester was.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e2. Springen of niet-springen\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn 1949 zit Ivo Michiels, nochtans zes jaar ouder dan Hugo Claus, nog helemaal opgesloten in zijn cocon van idealistische poëzie en strijdbaar maar toch ook progressief katholiek engagement. Van plastische kunsten is er nog geen spoor. De liefde voor schilderijen kreeg hij niet van thuis of van schoolleraars mee.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels was zich bewust van zijn intellectuele achterstand en kreeg de gelegenheid zichzelf bij te werken, toen hij vanaf 1948 aan het Handelsblad mocht meewerken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe eerste jaren schreef hij over film en literatuur. Pas na vier jaar verzorgde hij een eerste kunstbijdrage, gewijd aan Jack Godderis (1916-1971). Merkwaardig: over die Antwerpse schilder zou hij het vaakst schrijven in de krant, vijf artikels in totaal. En nog merkwaardiger: Michiels zou Godderis, een figuur die vandaag passé is en wiens oeuvre nauwelijks evolutie vertoonde, trouw blijven tot zijn ontslag bij de krant in 1958. Hij waardeert diens zoektocht naar beheersing en harmonie. Vooral diens portretten vond hij ‘ontheven’. Michiels’ belangstelling moet meer gewekt zijn door de artistieke figuur Godderis en diens eerlijkheid, dan door zijn stijl. Zijn grimmig coloriet dat afwijkt van de werkelijkheid paste bij het existentialisme begin jaren vijftig, waarvoor Michiels toen ontvankelijk was\u003c/p\u003e\u003cp\u003eTot begin 1954 schreef Michiels slechts hoogst sporadisch over schone kunsten. Daarna drukte hij zijn stempel op de rubriek ‘Geestesleven’, een pagina op dinsdag waarvoor hij romans en plastische kunst recenseerde. ‘Geestesleven’ was moderner dan de titel liet vermoeden. Walter De Block signaleerde er al eens belangrijke jazzplaten en ook Paul De Vree schreef er af en toe voor. Het moet een stimulerende biotoop geweest zijn, met Michiels als spil.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eWaarover schrijft Michiels in de krant? Nauwelijks over het verleden en al zeker niet over het vooroorlogse kunstgebeuren. Hij kan niet voorbij aan de grote evenementen, zoals het jaarlijkse salon van ‘Kunst van Heden’ in de Stadsfeestzaal, maar eigenlijk heeft hij weinig te melden over de retrospectieven. Op het salon van 1954 betwist hij niet de verdiensten van Gustaaf De Smet en de revolutionair Paul Joostens, maar het raakt hem niet echt. Hij ontdekt er liever Anne Bonnet en Jan Saverys. In een tentoonstelling bij het Grafisch Genootschap datzelfde jaar in hij al even onbegrijpelijk meer getroffen door de anekdotische jonge etser René De Coninck dan door de vormvernieuwers van de jaren twintig. Hij vindt Frans Masereel en Henri Van Straten gedateerd. “Het is niet iets maar de illustratie van iets.” Het is ook tekenend dat hij over de abstracte pionier Jozef Peeters geen woord schrijft, hoewel hij wel een schilderij van hem zou verwerven, dat hij later aan een vriend cadeau zou doen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels heeft duidelijk meer voeling met de jonge schilders die zich in 1945 verenigden in Jeune Peinture. Na de traumatische oorlogsjaren probeerden ze weer aansluiting te vinden bij een voorzichtig modernisme. Zij schipperden tussen figuratie en abstractie. Een deel maakte de sprong, anderen niet. Michiels stond voor een gelijkaardig dilemma. Kiezen deed hij niet. Hij sympathiseerde vooral voor artiesten die net niet sprongen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eJeune Peinture bestond als groep maar enkele jaren en vertakte naar tal van andere groeperingen zoals Cobra, Art Abstrait, Taptoe, Formes, allemaal van korte duur, maar met lange nawerking. Jack Godderis was lid van Jeune Peinture, net zoals Luc Peire, Rik Slabbinck, Gaston Bertrand, Marc Mendelson en Jan Vaerten. Michiels volgde deze opkomende artiesten met aandacht in meerdere artikels. Vooral over Peire die van langgerekte Afrikaanse figuurtjes naar streepschilderijen evolueerde, was hij enthousiast.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHun exposities vonden vooral plaats in Het Atelier, de eerste vernieuwende galerie in het Antwerpse. Pip Wouters en kunstschilder Jan Vaerten hadden de ruimte in 1951 geopend. Collega Hubert Lampo, die kunstrecensies voor de socialistische Volksgazet schreef en die voor Michiels’ latere overstap naar de socialistische uitgeverij Ontwikkeling cruciaal zou zijn, verzorgde er vaak inleidingen. Onder de vaste bezoekers van Het Atelier bevonden zich schrijvers als Paul Neuhuys en Werner Spillemaeckers, choreografe Jeanne Brabants, architect Renaat Braem.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEen tweede belangrijke biotoop vond Michiels in het Centrum van Artistieke Werking (CAW), een zaal op de Meir, waar John Trouillard vanaf 1954 de exposities organiseerde. Het niveau wisselde, maar het was hier dat nieuwlichters hun eerste kansen kregen. Hier kon Michiels zo nu en dan zijn eigen generatie ontdekken. Een revelatie was de expositie van Paul Van Hoeydonck (1925), die met zijn taferelen uit de Antwerpse haven en Marokko de grens van de abstractie aftastte. Hij is zo enthousiast dat hij naar het atelier trekt om te zien hoe Van Hoeydonck “een sprong uit de anekdote en het bijkomstige maakt” zonder te belanden “in het steriel constructivisme in het ijle.” “Hoe dichter zijn werk de abstractie zal benaderen, hoe meer het er van verlost zijn worden”, besluit hij profetisch.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOok de figuur John Trouillard zou in Michiels’ latere carrière terugkomen. In 1959 verzorgde hij de lay-out van ‘Albisola Mare, Savona’,\u0026nbsp; een verhaal in een beperkte editie met tekeningen van Wilfredo Lam en Roberto Crippa. In 1960 zou Trouillard het CAW openstellen voor de Nieuwe Vlaamse School van Jef Verheyen, inmiddels Michiels’ boezemvriend. Daarna startte hij de fameuze Ad Libitum-galerie waar Verheyen en zijn buitenlandse Zero-vrienden onderdak zouden krijgen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHet artistiek klimaat in Antwerpen kabbelt in de fifties gezapig op en neer. Maar in het seizoen 1956-57 keert het ten goede. Als kunstcriticus kan Michiels de interessante exposities niet meer bijhouden. In plaats van lange beschouwende stukken verschijnen steeds vaker losse foto’s, waarin hij zijn enthousiasme uitschreeuwt voor Marc Mendelson, Luc Peire, maar ook voor Michel Seuphor en nieuwe namen als Dan van Severen, Walter Leblanc\u0026nbsp; en Mark Verstockt. Die ontmoet hij in galerie Accent in de Lange Nieuwstraat 91, zijn nieuwe thuishaven. De galerie annex boekhandel en prentenkabinet van radio en tv-medewerker Hugo Hellemans, was een vertrouwd adres voor Michiels. Van 1947 tot 1951 had Paul De Vree in het huis, dat eigendom was van Maurice Gilliams, de boekhandel ‘De Brug’ geleid en was er het redactiesecretariaat van De Golfslag, het katholieke tijdschrift waarvan Michiels een stuwende kracht was.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eNaast Accent openden ook Galerie Vermeer in de Eikenstraat en Ravenna in de Korte Gasthuisstraat de deuren. De avant-garde kreeg ook expositiemogelijkheden in zoldercafé Gard Sivik en de Deutsche Buchgemeinschaft.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eAntwerpen was rijp voor de creatieve explosie van G58 in het Hessenhuis. Michiels maakte het van op de eerste rij mee, maar niet meer als onderzoekend journalist, wel als overtuigd kunstfan, beginnend verzamelaar en vriend van tal van G58-leden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e3. Zoekende kunstcriticus\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHoe belangrijk waren de kunstkritieken van Michiels uit de jaren vijftig? Jan Hoet schreef er in 1980 in het Michiels-nummer van het tijdschrift Restant geestdriftig over. “Zij vormen een onschatbare bron van informatie en een heldere en boeiende lectuur voor wie wenst kennis op te doen over de naoorlogse periode, echo’s op te vangen van de strijd en de polemieken die rond de tegenstelling ‘figuratief’ en ‘non-figuratief’ werden\u0026nbsp; gevoerd”, vindt Hoet.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDat klopt. Vijftig jaar na datum blijven het goed leesbare tijdsdocumenten, wat van de meeste krantenkritiek vandaag niet meer gezegd zal kunnen worden. Michiels bijdragen zijn voor de huidige normen lange, persoonlijke stukken waarin hij geen afzonderlijke werken beschrijft, maar steeds behoedzaam een synthese formuleert. Aanpak en stijl wijken grondig af van de huidige journalistieke kunstkritiek, die zich al te vaak beperkt tot een objectieve situering van de artiest, weetjes over de expo en een typering van opmerkelijke werken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels schrijft in de wij- of ik-vorm en richt zich duidelijk tot een groep ingewijden die hem week na week volgen. Hij tracht te verwoorden wat hij bijgeleerd heeft, wat het belang is van wat hij gezien heeft en maakt voorspellingen voor de toekomst. Als er een vervolgstuk komt, soms jaren later, grijpt hij terug naar wat hij eerder vaststelde. Het is duidelijk dat Michiels als criticus een missie heeft. Het verleden wil hij niet corrigeren, maar hij wil inzicht verwerven in de artistieke productie van het moment en van daaruit aanduiden welke richting de kunst het best uitgaat.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels is een kind van zijn tijd. In de jaren vijftig bezat de kunstcriticus nog gezag. De allergrootsten hadden zelfs een onuitputtelijke macht. De beroemdste naoorlogse criticus Clement Greenberg wist door zijn geschriften en invloed het artistieke middelpunt te verleggen van Parijs naar New York. Hij schoof Jackson Pollock en Willem De Kooning als nieuwe Picasso’s naar voren, een visie die de kunstmarkt overnam. Een kunstcriticus in de 21\u003csup\u003este\u003c/sup\u003e eeuw kan alleen maar cynisch toekijken hoe de artistieke trends elkaar steeds sneller opvolgen. Robert Hughes, de toonaangevende stem van Time Magazine, kon enkele vaststellen dat de criticus gedegradeerd was tot een pianist in een bordeel. “Je hebt geen invloed van wat er zich boven allemaal afspeelt”, gaf hij toe.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels wist, ondanks de kleine en steeds teruglopende oplage van Het Handelsblad, zijn stem gehoord. Zijn actieradius beperkte zich tot Antwerpen, met af en toe een zijsprongetje naar bevriende galeries in Brussel en Brugge. Michiels werd zeker gewaardeerd. Galeriehouders en kunstenaars solliciteerden naar zijn mening, maar hij werd nooit de doorslaggevende criticus die de bakens wist te verzetten. Daarvoor was de periode dat hij de scene volgde te kort en zijn corpus te beperkt. Bovendien vielen zijn activiteiten juist in een overdracht van de macht. Na de oorlog was Jan Walravens (1920), de kunstredacteur van Het Laatste Nieuws en stichter van het experimentele tijdschrift Tijd en Mens, de luidste stem die het existentialisme, experimentele poëzie, Jeune Peinture en Cobra\u0026nbsp; voortrok. In het debat van figuratieven en niet-figuratieven kozen Brusselaar Maurits Bilcke en de jonge Marc Callewaert in Gazet van Antwerpen sneller en radicaler de kaart van de jonge abstracten. In tegenstelling tot Michiels legden zij wel de link met de historische avant-garde, visten ze Jozef Peeters en Victor Servranckx op. Als eerste presenteerde Bilcke, samen met Jeune Peinture-schilder Jo Delahaut, hun werk in Saint-Laurent, dé pilootgalerie in Brussel, waar Michiels af en toe kwam kijken. Marc Callewaert engageerde zich honderd percent in het kanteljaar 1958 en werd voorzitter, tentoonstellingsmaker en tekstschrijver van G58. Dat hij daarover ook nog eens uitvoerig en positief berichtte in Gazet van Antwerpen was misschien deontologisch over de schreef, maar het zorgde wel voor een ruime belangstelling.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOp het moment dat Michiels, sneller dan zijn collega’s, nieuwe kunstaders ontdekte, berichtte hij niet meer wekelijks over zijn speurtocht. Gelukkig kon hij het ontgonnen goud op een andere manier verwerken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e4. Bondgenoot Jef Verheyen\u003c/p\u003e\u003cp\u003eSchrijven over Ivo Michiels en de plastische kunsten is schrijven over Jef Verheyen (1932-1984). “De schilder die mij in leven en kunst waarschijnlijk het meest na heeft gestaan”, getuigt Michiels in ‘Daar komen scherven van’, Boek 7 van Journal Brut dat over de plastische kunsten gaat en voor een groot deel over Verheyen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels verwijst graag naar hem als de Schilder, met hoofdletter. Verheyen was overigens meer dan een schilder. Tijdens zijn opleiding aan de Academie sloot hij aan bij De Nevelvlek en zat in de redactie van hun tijdschrift Het Kahier, schreef manifesten, publiceerde in Nul en De Tafelronde, hield af en toe een dagboek bij en was een verwoed brievenschrijver. Ook met andere schrijvers als Paul De Vree, Nic Van Bruggen en Guy Vaes was hij close, maar de vriendschap met Michiels was van een meer persoonlijke, creatieve aard.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn Michiels’ eerste echte experimentele verhaal ‘Albisola Mare, Savona’ uit 1959 duikt Verheyen even op als de Antwerpse vriend V. Ze zijn samen op bezoek in het huis van Wilfredo Lam aan de Ligurische kust. In deze ‘superieure, fel psychisch geladen reisherinnering’ (dixit Hubert Lampo) komen ook Lucio Fontana, Roberto Crippa, Walasse Ting en Asger Jorn voor, allen onder voor insiders herkenbare schuilnaam. Michiels was in de kunstenaarskolonie van Albisola Mare, bekend voor zijn keramiekateliers, verzeild geraakt dank zij Jef Veheyen, die hem meenam.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVerheyen, gezegend met lef en een sterk ego, nam in hun vriendschap bijna steeds het initiatief. Hij was het die in september 1955 Michiels aanspraak in diens stamcafé Casa Roca op de hoek van de Meir en de Kolveniersstraat. Hij klopte stoutweg op het vensterraam en vroeg of de criticus zijn pas geopende keramiekatelier achter de hoek in de Rubensstraat niet wilde komen bezoeken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;Michiels legde zeventien jaar later die eerste ontmoeting vast in een tekst die verscheen in de boekmultiple ‘Jef Verheyen 40’, uitgegeven ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de schilder. Michiels herinnerde zich de uitnodiging van Verheyen als een bevel en hij gehoorzaamde.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOp 18 oktober 1955 schrijft hij een bijdrage in het Handelsblad, een beetje weggestoken in de verzamelrubriek ‘de Antwerpse salons’. Michiels is positief over het gedurfde niet-commerciële initiatief van Verheyen, diens partner Dani Francq en Marina Van Acker die samen het keramiekatelier hadden opgezet, maar hij heeft duidelijk nog geen kijk op de keramiekkunst. Hij vindt het werk zuiver van lijn en eerlijk, maar vermoedt de enorme ambities van Verheyen nog niet.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEen jaar later, op 28 november 1956, publiceert hij een tweede en meteen laatste stuk over Verheyen in Het Handelsblad. Aanleiding was diens allereerste soloshow bij de Deutsche Buchgemeinschaft in de Lange Leemstraat. Hoewel het slechts een bescheiden schilderijenexpositie betrof, ziet Michiels nu wel\u0026nbsp; “de artistieke ernst” ervan in. Daarbij speelde mee dat hij ondertussen al meermaals het schildersatelier had bezocht en ook kennis had van de grote werken die Verheyen niet kon tonen in de kleine boekhandel. Michiels zag het verband in matièrebehandeling en kleurgebruik tussen de geëxposeerde doeken en de vroegere keramiekwerken, maar hij wist ook dat Verheyen al een stadium verder was gevorderd. “In deze grotere doeken treedt deze jongere al veel rijper naar voor en verrast hij de toeschouwer door een compositorisch vermogen dat respect afdwingt, terwijl het ritme van het schilderij groeit uit een boeiende verkaveling van het oppervlak in vlakken en onderverdeling van vlakken welke in hun kleinste onderdeel ook elk afzonderlijk nog aan een eigen door de matière gestimuleerde spanning onderworpen zijn.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe recensie wint nog aan kracht doordat Michiels ze koppelt aan een al even extatische kritiek van het nieuwe werk dat Paul Van Hoeydonck in Brussel toonde. Van Hoeydonck is op dat moment de kunstenaar in wie de criticus het sterkst gelooft. Weldra zal Verheyen die positie overnemen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e5. Wonderjaren 1957-1959\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn 1957 komt alles in een stroomversnelling. De uiterlijke omstandigheden lijken nochtans ongunstig: Het Handelsblad gaat op de fles en wordt overgenomen door De Standaard met als gevolg dat Michiels zijn baan verliest. Gelukkig wordt hij even doorbetaald en kan hij op 1 december terecht bij uitgeverij Ontwikkeling. Financieel gaat hij er flink op vooruit. In 1957 publiceert hij ook ‘Het afscheid’, in zijn ogen zijn echte debuut en de roman die hem onomstotelijk in het kamp van de vernieuwers brengt.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn dat kamp profileert zich ook steeds nadrukkelijker Jef Verheyen, met wie Michiels de vriendschapsbanden aanhaalt. De eerste brieven gaan over en weer in wat zal uitgroeien tot een indrukwekkende correspondentie. Najaar 1957 heeft Verheyen zijn eerste belangrijke solo-expositie in galerie Accent in Antwerpen en legt hij met Walter Vanermen, Jef Kersting , Herman Denkens en André Comhaire de basis van wat zal uitgroeien tot G58.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMet het wegvallen van Het Handelsblad richt Michiels zich tot vaktijdschriften, in de eerste plaats het katholieke Periscoop dat in 1950 door professor René Lissens was opgericht als blad voor literaire kritiek maar geleidelijk aan meer aandacht ging schenken aan plastische kunsten. Volgens Michiels was het tijdschrift ook op beter papier gedrukt, wat sterkere illustraties toeliet. Michiels keek ook naar het buitenland. In het Italiaans-Franse I 4 Soli, waarvan hij in Het Handelsblad enkele nummers positief besprak, publiceerde hij eind 1957 al een belangrijke tekst over Jef Verheyen, in het Frans. “Voor Verheyen is een schilderij een wereld die perfect en helemaal onafhankelijk is. Meer zelfs: het is een eerste appél dat uitgeroepen en gehoord wordt, daarvoor was er niets tenzij de leegte en de stilte”, meldt Michiels.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn februari 1958 heeft Verheyen, die de zomer daarvoor het pad was gaan effenen, zijn eerste tentoonstelling beet in Milaan, bij galerie Pater. Michiels schreef de tekst voor het vouwblaadje bij de vernissage, waarop hij aanwezig was. Veertien jaar later zou hij het afscheidstafereel met Verheyen op het perron in Milaan beschrijven, een tekst die meermaals verscheen en die uiteindelijk ook in Journal Brut, Boek 7 belandde.\u0026nbsp; “Ik was hem vanuit Antwerpen nagereisd, was een paar dagen bij hem in Milaan gebleven, reed nu het eerst weer terug, hem achterlatend met het restant van wat schamele lires. Maar hij bleef. Omdat het moest. Ergens moest het. Hij bleef om morgen misschien toch nog een schilderij te verkopen, iemand te ontmoeten die geld gaf, of niet eens geld, die een weg openmaakte.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn zijn missie in Milaan slaagde Jef Verheyen met onderscheiding. Hij verkocht een blauw schilderij aan Fontana en sloot vriendschap met Crippa, later ook met Manzoni\u0026nbsp; en vele anderen. Michiels werd eveneens in die kringen geïntroduceerd en bracht verslag uit in\u0026nbsp; Het Kahier 11 van 1958, waar Verheyen in de redactieraad zat, en in ‘Milanese brief’ in de Periscoop. In Journal Brut zouden nog tal van heroïsche anekdotes uit de woelige Italiaanse periode gerecupereerd worden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels beperkte zijn rol niet louter tot kijker en commentator, maar koos uitdrukkelijk partij voor Verheyen en zijn Italiaanse vrienden. Zo kreeg hij het via Willy Vaerewijck, directeur van uitgeverij\u0026nbsp; Ontwikkeling, gedaan dat hij een beeldje van Crippa kon plaatsen in het Paviljoen van de Pers op de Wereldexpositie. Hij ging het persoonlijk ophalen in Milaan. Michiels schreef ook een brief aan Herman Teirlinck met de vraag of de Belgische Staat geen werk kon aankopen van de veelbelovende kunstenaar Jef Verheyen. De vraag kwam veel te vroeg.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEen gemiste kans want Verheyen ging door op zijn elan. Eind 1958 presenteerde hij het monochrome schilderij ‘De lucht is vol van uw warmte’ op de openingsexpositie van G58 in het Hessenhuis. Na ruzie verliet hij de groep en vond hij expositiemogelijkheden in Zwitserland, waar hoteleigenaar en galeriehouder Hans Liechti zijn mecenas en promotor werd. In Düsseldorf sloot hij vriendschap met Günther Uecker en Otto Piene van de Zero-beweging, waarvan hij de Belgische ambassadeur werd.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels publiceerde ondertussen over Verheyen waar en wanneer hij maar de gelegenheid kreeg. Hij schreef een openingswoord voor een expo in Rotterdam en leverde bijdragen aan het Franstalige Art Actuel en De Kunstmeridiaan, verbonden aan de Brusselse Taptoe-galerie waar hij Asger Jorn en Wallase Ting beter leerde kennen. Toen in 1959 dichters en kunstenaars\u0026nbsp; van G58, De Tafelronde, Het Kahier en Frontaal elkaar even vonden in het ‘Modernistisch Centrum’, hield Michiels een lezing over ‘Abstracte kunst’, een richting waarvoor hij nu voluit overstag ging.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn deze periode van druk atelierbezoek, gesprekken onder kunstenaars en drinkgelagen begint Michiels ook kunst te verzamelen en te verhandelen. “Het had alles met vriendschap en generositeit te maken, de slechte kanten van de business bestonden in de jaren vijftig nog nauwelijks”, blikt hij vandaag terug.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe gulle Fontana die graag jongeren rondom zich had, gaf hem een werkje van Asger Jorn cadeau. Van Baj kocht hij een groot doek op afbetaling omdat de eerste koper, die hij zelf had aangebracht, uiteindelijk een ander werk wilde.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels zou een benijdenswaardige verzameling opbouwen met sleutelwerken van Baj, Fontana, Engelbert Van Anderlecht en Jef Verheyen, van wie hij meermaals cruciale werken uitleenden voor tentoonstellingen in musea. Ook stukken van de Zero-beweging en popart kwamen in zijn bezit.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eUit geldnoodzaak verkocht hij nu en dan werk door. Bij zijn verhuizing naar Frankrijk zou het merendeel van de collectie worden verkocht, met uitzondering van enkele Verheyens. Michiels beweert dat hij nooit kunstwerken zo maar op veiling bracht, maar ze steeds aanbood aan vrienden of bevriende galeriehouders.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn tegenstelling tot vele collega’s zoals Paul Van Ostaijen, Maurice Gilliams, Gaston Burssens, Paul De Vree, Adriaan De Roover, Louis Paul Boon, Hugo Claus, Gust Gils, Paul Snoek, Patrick Conrad en Hugues C. Pernath waagde Michiels zich niet aan het maken van kunst. Volgens de schrijver zou Jef Verheyen hem daar wel toe aangespoord hebben, maar zelf oordeelde hij dat zijn talenten elders lagen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e6. Naar de essentie\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn de jaren zestig volgt Ivo Michiels het galeriewezen nog wel, zeker zolang hij in Antwerpen woont, bemiddelt en verkoopt wat, maar laat de organisatie en propaganda van Jef Verheyen en diens entourage over aan anderen. Die anderen zijn dan Paul De Vree, zijn soulmate van De Tafelronde, en Nic Van Bruggen, de jonge kunstcriticus van De Nieuwe Gazet en aspirant-dichter. In zijn eerste bundel ‘Revolver’ (1962) zou die zich uitdrukkelijk beroepen op de plastische theorieën van Jef Verheyen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eKenmerkend is dat niet Michiels, maar wel Paul De Vree en Nic Van Bruggen de Nieuwe Vlaamse School boven de doopvont hielden en er samen met Verheyen het manifest van schreven. De groep bestond uit afgescheurde G58-leden en nieuwe vrienden van Verheyen zoals Engelbert Van Anderlecht, Guy Mees en Guy Vandenbranden. De Nieuwe Vlaamse School ging van start op 15 oktober 1960 met een expositie in het CAW, niet toevallig op dezelfde dag als de derde groepstentoonstelling van G58. Er werd met modder gegooid, maar Michiels mengde zich niet.\u003c/p\u003e\u003cp\u003ePolemiek had hij altijd al gemeden. Zijn hart ging meer uit naar abstractie dan figuratie, maar hij hield steeds beide polen in het oog, net zoals hij handig schipperde\u0026nbsp; tussen de ‘koude’ constructivistische en ‘warme’ lyrische abstracten. Kiezen tussen de Nieuwe Vlaamse School van Jef Verheyen en G58 van\u0026nbsp; Paul Van Hoeydonck, Bert De Leeuw en Walter Leblanc was een dilemma. Met Verheyen had hij een zielsband, maar het werk van Van Hoeydonck en Leblanc hoefde hij daarvoor toch niet af te zweren?\u003c/p\u003e\u003cp\u003eGelukkig moest hij als criticus zijn kop niet meer uit te steken, want na 1960 beoefende Michiels geen journalistiek meer. Alle publicaties stonden voortaan in het teken van creatief schrijven. Creatief, dat wilde voor hem zeggen: de lessen die hij van Verheyen en andere schilders geleerd had ,omzetten in taal. Geen beschrijving of omschrijving meer, geen illustratie en ballast, maar de essentie. Of\u0026nbsp; in de zienswijze van Jef Verheyen: geen impressionisme, maar het wezen van kleur en licht.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn de Alfa-cyclus, die Michiels tussen 1963 en 1979 liet verschijnen, gaat hij met klanken, zinnen en teksten omspringen zoals een schilder met vlakverdeling en ruimtewerking, kleur en licht. ‘Het boek Alfa’ begint symbolisch in de modder, dikke matièreverf, maar er staan ook speelse Cobra-achtige passages in en koele constructies. Het plastische hoogtepunt valt in ‘Exit’, het middendeel van de Alfa-cyclus dat na 130 bladzijde repetitieve bezwering eindigt op de vijftiende letter van het alfabet: de 0 of het cijfer nul, een directe hommage aan de Zero-beweging, die de terugkeer naar de nulgraad van de schilderkunst voorstond.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDaarna kan er in ‘Dixit’ weer opgebouwd worden. In de tiendelige Journal Brut-cyclus zal het hele gamma van plasticiteit aan bod komen: van barok tot minimaal.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“Bij Zero, Verheyen en Fontana, voelde ik mij als schrijver het nauwst betrokken. Hoewel Cobra, Jorn vooral, ook Corneille, geregeld hun kleurkopje opsteken in mijn schriftuur”, becommentarieert Michiels vandaag het belang van de plastische kunsten voor zijn romanoeuvre.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eParallel met het ontstaan van de Alfa-cyclus publiceert Michiels ook schaarse gelegenheidsteksten, geschreven op verzoek van kunstenaars, galeriehouders, film- of theaterproducenten. Onmogelijk om er een genrebepaling op te kleven. Raadselachtig\u0026nbsp; poëzie, een herinnering of dagboekfragment, een imaginaire dialoog, essayistische\u0026nbsp; duidingen, taalspel? Meestal mengt hij de vormen door elkaar.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe teksten liggen in het verlengde van ‘Albisola mare, Savona’, handelen over kunst, zijn hyperpersoonlijk en richten zich tot een publiek van ingewijden dat op dezelfde golflengte zit. Ze verschijnen op kleine oplagen in gespecialiseerde tijdschriften, catalogi of dure kunstedities. Zo was ‘Babyblauw en suikergoedrose’, een in memoriam voor Lucio Fontana, te lezen in het tijdschrift Raam in 1969.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e‘Jef Verheyen, schilder. Ook een verhaal’ vond een plek in de dure boekmultiple ‘Jef Verheyen 40’, uitgebracht ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de schilder. Bij die gelegenheid werd ook een legendarisch feest gehouden in het kasteel in het Rivierenhof in Deurne. Verheyen, Michiels en fotograaf Frank Philippi werkten nauw samen aan dit megalomaan project van vormgever en uitgever Paul Ibou. De tekstschrijver was 85.000 frank (2000 euro) beloofd en 3 percent van de verkoop, maar door het faillissement van Paul Ibou en zijn Multi Art Gallery kwam daar niets van terecht.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHet boekje ‘Zes keer een aanloop’ begeleidde een expo van Alechinsky bij de Antwerpse galerie Lens Fine Art. ‘Het fietsje van Szukalski’ hoorde bij een expo in The Antwerp Gallery in de Lamorinièrestraat, waar ook Verheyen een keer exposeerde. De van oorsprong Poolse beeldhouwer en collagekunstenaar begon zijn carrière als assistent van Jef Verheyen en maakte een serie neusportretten waarin Michiels en Verheyen figureerden. In 1979 schreef Michiels vier gedichten/teksten bij evenveel seriegrafieën van Mark Verstockt, met wie hij al kennis had gemaakt eind jaren vijftig in galerie Accent.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMet al deze kunstteksten laat\u0026nbsp; Michiels een volstrekt eigen stem horen. In 1979 bundelde Walter Soethoudt ze\u0026nbsp; in ‘Luister hoe dit beeld hoe die lijn hoe die kleur hoe dit vlak luister’. De bundel had even goed ‘Zie hoe deze klank, hoe dit woord, hoe deze zin, hoe deze tekst, zie’ kunnen heten. Als ‘scherven’ kregen ze een terechte plek in Journal Brut Boek 7, samen met andere herinneringen uit de kunstwereld.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e7. Frankrijk\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn de zomer van 1974 zet Jef Verheyen weer een nieuwe stap. Hij laat Antwerpen achter zich en verhuist naar Les Talons in Saint Saturnin d’ Apt in de Provence. Hij kon de sprong wagen dankzij enkele oude en nieuwe gefortuneerde verzamelaars zoals de Duitser Gerhard Lenz, dokter Jos Macken, Louis Bogaerts (die twee van zijn Verheyens opofferde om ze door Fontana te laten doorboren), galeriehouder Marcel Stal, Baron Antonino von Hoerde, Carlo Van den Bossche en de jonge, beginnende antiquair Axel Vervoordt. Verheyen zat vanaf zijn bijdrage aan de Biënnale van Venetië ook steviger in een Europees circuit van musea en galeries.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eTussen de Provence en het landelijke Zonnegem, waar Michiels woont, gaapt een afstand. Verheyen behoudt wel een atelier in Antwerpen, maar de twee zien elkaar steeds minder. Wel voeren ze een drukke correspondentie. Van Verheyen bewaart het Letterenhuis bijna zeventig overwegend lange brieven gericht aan Michiels.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eSteeds terugkerend onderwerpen zijn de eenzaamheid, de noodzaak om België en Antwerpen te verlaten\u0026nbsp; (“het zielige leven van de Vécu en de Boer van Tienen”) en de lof van Frankrijk.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp; “Wat dat land hier biedt, jongen, ik kan het echt niet zeggen. Ik stap van het ene schilderij in het andere, de ruimten liggen niet meer achter elkaar, op elkander, allemaal deuren die ik open en terug dicht doe…”, schrijft Verheyen op 9 oktober 1974.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEn op 16 december klinkt het zo: “De eenzaamheid en de onafhankelijkheid zijn dingen die noodzakelijk zijn voor iemand die tot het uiterste wil gaan, in creatieve zin. En voor wat zou ik eigenlijk leven. Voor de schilderkunst en voor niets anders in feite. Ik weet niet of het zal lukken maar in de provinciale brol van België wil ik niet stikken. Ik sterf liever voor iets dat de moeite is dan in een beerput te verzuipen.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVerheyen mist Michiels. Hij wil zijn oordeel kennen over zijn nieuwe doeken, maar is ook benieuwd naar diens schrijfwerk. “De bezwering (obsessie vind ik niet juist) die jij met je woorden tracht te bereiken, ligt me zo nabij, dat ik het duidelijk kan voelen”, laat hij weten.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe volgende jaren laat Verheyen geen gelegenheid voorbijgaan om Michiels uit te nodigen om in Frankrijk te komen schrijven. In 1978 begint hij ook tips te geven over interessante huizen die hij hem in de buurt te koop staan. In 1979 waagt Michiels op zijn beurt de overtocht en nestelt zich in Le Barroux, zo’n 50 kilometer noordelijker dan Saint Saturnin d’ Apt. Uitgerekend in die periode is Verheyen vaak in Antwerpen, Zwitserland en Duitsland voor de voorbereiding van Zero-tentoonstellingen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eToch vinden ze de tijd om aan twee gezamenlijke luxeprojecten te werken. ‘Weerspiegelingen’ in 1979 bevat twee litho’s, een tekst van Jef Verheyen en een commentaar van Michiels. Michiels stelt vast dat Verheyen veel teksten geschreven heeft en taal een drijfveer was voor de schilder, zoals plastische kunst voor hem als schrijver. Hij besluit: “Tekst en beeld zijn er al van oudsher op uit elkaar aan te vullen, soms in een typisch twintigste-eeuwse huwelijk, uitgroeiend tot een authentieke integratie. Van sommige zal het dan zelfs moeilijk worden, uit te maken welke taal primair de hunne is: die van het zien, of die van het horen, die van de verf of die van de inkt.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003e‘Le Grand Oeuvre’ in 1982 uitgegeven door galerie Erker in Sankt Gallen brengt tien litho’s van Jef Verheyen samen met tien teksten van Ivo Michiels. De bekende Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt stelt het werk voor in Sankt Gallen. In Antwerpen houden Julien Schoenaerts en Henri-Floris Jespers het boven de doopvont in het Oserriethhuis op de Meir.\u0026nbsp; “Jef maakte tien litho's in zwart-wit, terwijl de tien teksten van mij eveneens op steen werden geschreven, maar dan in kleur. Jef was trots op zijn vondst”, herinnerde Michiels zich deze samenwerking, die hun afscheid zou worden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOp 2 maart 1984 sterft Jef Verheyen aan de gevolgen van een hartaanval op de judomat van zijn sportclub in Apt. Hij wordt begraven in een grafkelder in Croagnes.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e8. En maar vliegen\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels blijft verweesd achter en heeft nog negen delen van zijn opus ‘Journal Brut’ te schrijven. Een jaar na Verheyens dood publiceert hij deel 2, ‘Het boek der nauwe relaties’. De Schilder mocht daarin niet ontbreken. In het hoofdstuk ‘De witte tenten voor de hoge ramen’ blikt Michiels terug op diens begrafenis. Terwijl hij met een roos voor het graf staat, brengen zijn gedachten hem terug naar een memorabele nacht in Venetië. Het is 1981: Jef Verheyen heeft zijn beste vrienden uitgenodigd in een onderkomen paleis. Terwijl de anderen slapen, filosoferen de schilder en de schrijver over de nietigheid van het bestaan en de grootheid van kunst.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels noteert hun dialoog:\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“Zeker een schrijver.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOf een schilder.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMisschien wel een schrijver die schildert\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMisschien wel een schilder die schrijft\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe ene kunst en de andere kunst, vogel is vogel.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eWolken zijn wolken, ik bedoel woorden.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“En maar vliegen”, zegt hij.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eWaarop Verheyen twee planken neemt en ermee als een steltloper begint rond te lopen, op hoge poten boven het banale. Baudelaire knikt instemmend: een knappe correspondance, kunst als poësis, niet als mimesis.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eFrank HEIRMAN\u003c/p\u003e"},{"locale":"fr","description":"\u003cp\u003eFrank Heirman, 'Ivo Michiels: Misschien wel een schrijver die schildert', in: \u003ci\u003eDeus ex Machina\u003c/i\u003e, 35, 138-139, 2011, 105-112.\u003cbr\u003e\u003cbr\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003ch2\u003eIvo Michiels\u003c/h2\u003e\u003ch2\u003eMisschien wel een schrijver die schildert\u003c/h2\u003e\u003cp\u003e1. Correspondances\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“Mijn grote, mijn enige, mijn eerste hartstocht”, verwoordde Charles Baudelaire (1821-1867) zijn liefde voor de schilderkunst. De dichter van ‘Les fleurs du mal’ was één van de eerste schrijvers die zich intens met plastische kunsten inliet. De jaarlijkse kunstsalons volgde hij op de voet, hij schreef kritieken en nam gedurfde stellingen in. Met Eugène Delacroix had hij een blijvende band. Keer op keer zocht hij naar de essentie van diens romantische genie. “Als Delacroix een schilderij componeert, kijkt hij in zichzelf in plaats van door het raam te staren. Uit de schepping heeft hij al lang datgene gehaald wat zijn kunst nodig heeft, en dat geeft zijn schilderijen hun intieme aantrekkingskracht, al ogen ze op het eerste gezicht onaangenaam”, ontdekte de dichter, die overigens als criticus schatplichtig was aan zijn voorganger Théophile Gautier.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eBaudelaire hield de kunstkritiek niet gescheiden van zijn andere werk. Zijn voorkeur voor het groteske en de combinatie van het hoge en het lage vond hij terug in prenten en schilderijen. Sommige gedichten zijn een regelrechte poging om ‘Correspondances’ te vinden tussen verf en inkt.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVanaf Baudelaire, waarmee de kunstgeschiedenis graag de moderne poëzie laat beginnen, vormt belangstelling voor plastische kunsten een rode draad in de literatuur. Vooral de experimentele poëzie vond nieuwe wegen via het contact met plastische kunsten. Mallarmé, Apollinaire, Tzara, Breton schieten te binnen. Ook de Vlaamse literatuur biedt treffende voorbeelden. Karel Van de Woestyne wist zich in Latem omringd door expressionistische schilders, maar was ook vertrouwd met de voorgangers van Les XX en James Ensor. Paul Van Ostaijen sloot een verbond met Oscar en Floris Jespers en Paul Joostens, maar boekte de meeste vooruitgang door zijn kennis van het Franse kubisme en zijn dadaïstische contacten in Berlijn.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOnmiddellijk na de schoolbanken belandde Hugo Claus in kringen van schilders en beeldhouwers. Op achttienjarige leeftijd was hij betrokken bij de groep La Relève waarvan Roger Raveel en Jan Burssens deel uitmaakten. Twee jaar later, in 1949, introduceerde beeldhouwer Florent Wellens hem in Les Ateliers du Marais, de woon- en werkplaats van Pierre Alechinsky waar ook Reinhoud, Jan Cox en vele oud-leden van Cobra zich ophielden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOok voor Ivo Michiels speelde de kunstscene, net zoals de filmwereld, een doorslaggevende rol in zijn evolutie als schrijver. Maar het was geen liefde op het eerste gezicht. Er ging een leerproces aan vooraf, waarin de schrijver zijn eigen leermeester was.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e2. Springen of niet-springen\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn 1949 zit Ivo Michiels, nochtans zes jaar ouder dan Hugo Claus, nog helemaal opgesloten in zijn cocon van idealistische poëzie en strijdbaar maar toch ook progressief katholiek engagement. Van plastische kunsten is er nog geen spoor. De liefde voor schilderijen kreeg hij niet van thuis of van schoolleraars mee.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels was zich bewust van zijn intellectuele achterstand en kreeg de gelegenheid zichzelf bij te werken, toen hij vanaf 1948 aan het Handelsblad mocht meewerken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe eerste jaren schreef hij over film en literatuur. Pas na vier jaar verzorgde hij een eerste kunstbijdrage, gewijd aan Jack Godderis (1916-1971). Merkwaardig: over die Antwerpse schilder zou hij het vaakst schrijven in de krant, vijf artikels in totaal. En nog merkwaardiger: Michiels zou Godderis, een figuur die vandaag passé is en wiens oeuvre nauwelijks evolutie vertoonde, trouw blijven tot zijn ontslag bij de krant in 1958. Hij waardeert diens zoektocht naar beheersing en harmonie. Vooral diens portretten vond hij ‘ontheven’. Michiels’ belangstelling moet meer gewekt zijn door de artistieke figuur Godderis en diens eerlijkheid, dan door zijn stijl. Zijn grimmig coloriet dat afwijkt van de werkelijkheid paste bij het existentialisme begin jaren vijftig, waarvoor Michiels toen ontvankelijk was\u003c/p\u003e\u003cp\u003eTot begin 1954 schreef Michiels slechts hoogst sporadisch over schone kunsten. Daarna drukte hij zijn stempel op de rubriek ‘Geestesleven’, een pagina op dinsdag waarvoor hij romans en plastische kunst recenseerde. ‘Geestesleven’ was moderner dan de titel liet vermoeden. Walter De Block signaleerde er al eens belangrijke jazzplaten en ook Paul De Vree schreef er af en toe voor. Het moet een stimulerende biotoop geweest zijn, met Michiels als spil.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eWaarover schrijft Michiels in de krant? Nauwelijks over het verleden en al zeker niet over het vooroorlogse kunstgebeuren. Hij kan niet voorbij aan de grote evenementen, zoals het jaarlijkse salon van ‘Kunst van Heden’ in de Stadsfeestzaal, maar eigenlijk heeft hij weinig te melden over de retrospectieven. Op het salon van 1954 betwist hij niet de verdiensten van Gustaaf De Smet en de revolutionair Paul Joostens, maar het raakt hem niet echt. Hij ontdekt er liever Anne Bonnet en Jan Saverys. In een tentoonstelling bij het Grafisch Genootschap datzelfde jaar in hij al even onbegrijpelijk meer getroffen door de anekdotische jonge etser René De Coninck dan door de vormvernieuwers van de jaren twintig. Hij vindt Frans Masereel en Henri Van Straten gedateerd. “Het is niet iets maar de illustratie van iets.” Het is ook tekenend dat hij over de abstracte pionier Jozef Peeters geen woord schrijft, hoewel hij wel een schilderij van hem zou verwerven, dat hij later aan een vriend cadeau zou doen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels heeft duidelijk meer voeling met de jonge schilders die zich in 1945 verenigden in Jeune Peinture. Na de traumatische oorlogsjaren probeerden ze weer aansluiting te vinden bij een voorzichtig modernisme. Zij schipperden tussen figuratie en abstractie. Een deel maakte de sprong, anderen niet. Michiels stond voor een gelijkaardig dilemma. Kiezen deed hij niet. Hij sympathiseerde vooral voor artiesten die net niet sprongen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eJeune Peinture bestond als groep maar enkele jaren en vertakte naar tal van andere groeperingen zoals Cobra, Art Abstrait, Taptoe, Formes, allemaal van korte duur, maar met lange nawerking. Jack Godderis was lid van Jeune Peinture, net zoals Luc Peire, Rik Slabbinck, Gaston Bertrand, Marc Mendelson en Jan Vaerten. Michiels volgde deze opkomende artiesten met aandacht in meerdere artikels. Vooral over Peire die van langgerekte Afrikaanse figuurtjes naar streepschilderijen evolueerde, was hij enthousiast.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHun exposities vonden vooral plaats in Het Atelier, de eerste vernieuwende galerie in het Antwerpse. Pip Wouters en kunstschilder Jan Vaerten hadden de ruimte in 1951 geopend. Collega Hubert Lampo, die kunstrecensies voor de socialistische Volksgazet schreef en die voor Michiels’ latere overstap naar de socialistische uitgeverij Ontwikkeling cruciaal zou zijn, verzorgde er vaak inleidingen. Onder de vaste bezoekers van Het Atelier bevonden zich schrijvers als Paul Neuhuys en Werner Spillemaeckers, choreografe Jeanne Brabants, architect Renaat Braem.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEen tweede belangrijke biotoop vond Michiels in het Centrum van Artistieke Werking (CAW), een zaal op de Meir, waar John Trouillard vanaf 1954 de exposities organiseerde. Het niveau wisselde, maar het was hier dat nieuwlichters hun eerste kansen kregen. Hier kon Michiels zo nu en dan zijn eigen generatie ontdekken. Een revelatie was de expositie van Paul Van Hoeydonck (1925), die met zijn taferelen uit de Antwerpse haven en Marokko de grens van de abstractie aftastte. Hij is zo enthousiast dat hij naar het atelier trekt om te zien hoe Van Hoeydonck “een sprong uit de anekdote en het bijkomstige maakt” zonder te belanden “in het steriel constructivisme in het ijle.” “Hoe dichter zijn werk de abstractie zal benaderen, hoe meer het er van verlost zijn worden”, besluit hij profetisch.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOok de figuur John Trouillard zou in Michiels’ latere carrière terugkomen. In 1959 verzorgde hij de lay-out van ‘Albisola Mare, Savona’,\u0026nbsp; een verhaal in een beperkte editie met tekeningen van Wilfredo Lam en Roberto Crippa. In 1960 zou Trouillard het CAW openstellen voor de Nieuwe Vlaamse School van Jef Verheyen, inmiddels Michiels’ boezemvriend. Daarna startte hij de fameuze Ad Libitum-galerie waar Verheyen en zijn buitenlandse Zero-vrienden onderdak zouden krijgen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHet artistiek klimaat in Antwerpen kabbelt in de fifties gezapig op en neer. Maar in het seizoen 1956-57 keert het ten goede. Als kunstcriticus kan Michiels de interessante exposities niet meer bijhouden. In plaats van lange beschouwende stukken verschijnen steeds vaker losse foto’s, waarin hij zijn enthousiasme uitschreeuwt voor Marc Mendelson, Luc Peire, maar ook voor Michel Seuphor en nieuwe namen als Dan van Severen, Walter Leblanc\u0026nbsp; en Mark Verstockt. Die ontmoet hij in galerie Accent in de Lange Nieuwstraat 91, zijn nieuwe thuishaven. De galerie annex boekhandel en prentenkabinet van radio en tv-medewerker Hugo Hellemans, was een vertrouwd adres voor Michiels. Van 1947 tot 1951 had Paul De Vree in het huis, dat eigendom was van Maurice Gilliams, de boekhandel ‘De Brug’ geleid en was er het redactiesecretariaat van De Golfslag, het katholieke tijdschrift waarvan Michiels een stuwende kracht was.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eNaast Accent openden ook Galerie Vermeer in de Eikenstraat en Ravenna in de Korte Gasthuisstraat de deuren. De avant-garde kreeg ook expositiemogelijkheden in zoldercafé Gard Sivik en de Deutsche Buchgemeinschaft.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eAntwerpen was rijp voor de creatieve explosie van G58 in het Hessenhuis. Michiels maakte het van op de eerste rij mee, maar niet meer als onderzoekend journalist, wel als overtuigd kunstfan, beginnend verzamelaar en vriend van tal van G58-leden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e3. Zoekende kunstcriticus\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHoe belangrijk waren de kunstkritieken van Michiels uit de jaren vijftig? Jan Hoet schreef er in 1980 in het Michiels-nummer van het tijdschrift Restant geestdriftig over. “Zij vormen een onschatbare bron van informatie en een heldere en boeiende lectuur voor wie wenst kennis op te doen over de naoorlogse periode, echo’s op te vangen van de strijd en de polemieken die rond de tegenstelling ‘figuratief’ en ‘non-figuratief’ werden\u0026nbsp; gevoerd”, vindt Hoet.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDat klopt. Vijftig jaar na datum blijven het goed leesbare tijdsdocumenten, wat van de meeste krantenkritiek vandaag niet meer gezegd zal kunnen worden. Michiels bijdragen zijn voor de huidige normen lange, persoonlijke stukken waarin hij geen afzonderlijke werken beschrijft, maar steeds behoedzaam een synthese formuleert. Aanpak en stijl wijken grondig af van de huidige journalistieke kunstkritiek, die zich al te vaak beperkt tot een objectieve situering van de artiest, weetjes over de expo en een typering van opmerkelijke werken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels schrijft in de wij- of ik-vorm en richt zich duidelijk tot een groep ingewijden die hem week na week volgen. Hij tracht te verwoorden wat hij bijgeleerd heeft, wat het belang is van wat hij gezien heeft en maakt voorspellingen voor de toekomst. Als er een vervolgstuk komt, soms jaren later, grijpt hij terug naar wat hij eerder vaststelde. Het is duidelijk dat Michiels als criticus een missie heeft. Het verleden wil hij niet corrigeren, maar hij wil inzicht verwerven in de artistieke productie van het moment en van daaruit aanduiden welke richting de kunst het best uitgaat.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels is een kind van zijn tijd. In de jaren vijftig bezat de kunstcriticus nog gezag. De allergrootsten hadden zelfs een onuitputtelijke macht. De beroemdste naoorlogse criticus Clement Greenberg wist door zijn geschriften en invloed het artistieke middelpunt te verleggen van Parijs naar New York. Hij schoof Jackson Pollock en Willem De Kooning als nieuwe Picasso’s naar voren, een visie die de kunstmarkt overnam. Een kunstcriticus in de 21\u003csup\u003este\u003c/sup\u003e eeuw kan alleen maar cynisch toekijken hoe de artistieke trends elkaar steeds sneller opvolgen. Robert Hughes, de toonaangevende stem van Time Magazine, kon enkele vaststellen dat de criticus gedegradeerd was tot een pianist in een bordeel. “Je hebt geen invloed van wat er zich boven allemaal afspeelt”, gaf hij toe.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels wist, ondanks de kleine en steeds teruglopende oplage van Het Handelsblad, zijn stem gehoord. Zijn actieradius beperkte zich tot Antwerpen, met af en toe een zijsprongetje naar bevriende galeries in Brussel en Brugge. Michiels werd zeker gewaardeerd. Galeriehouders en kunstenaars solliciteerden naar zijn mening, maar hij werd nooit de doorslaggevende criticus die de bakens wist te verzetten. Daarvoor was de periode dat hij de scene volgde te kort en zijn corpus te beperkt. Bovendien vielen zijn activiteiten juist in een overdracht van de macht. Na de oorlog was Jan Walravens (1920), de kunstredacteur van Het Laatste Nieuws en stichter van het experimentele tijdschrift Tijd en Mens, de luidste stem die het existentialisme, experimentele poëzie, Jeune Peinture en Cobra\u0026nbsp; voortrok. In het debat van figuratieven en niet-figuratieven kozen Brusselaar Maurits Bilcke en de jonge Marc Callewaert in Gazet van Antwerpen sneller en radicaler de kaart van de jonge abstracten. In tegenstelling tot Michiels legden zij wel de link met de historische avant-garde, visten ze Jozef Peeters en Victor Servranckx op. Als eerste presenteerde Bilcke, samen met Jeune Peinture-schilder Jo Delahaut, hun werk in Saint-Laurent, dé pilootgalerie in Brussel, waar Michiels af en toe kwam kijken. Marc Callewaert engageerde zich honderd percent in het kanteljaar 1958 en werd voorzitter, tentoonstellingsmaker en tekstschrijver van G58. Dat hij daarover ook nog eens uitvoerig en positief berichtte in Gazet van Antwerpen was misschien deontologisch over de schreef, maar het zorgde wel voor een ruime belangstelling.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOp het moment dat Michiels, sneller dan zijn collega’s, nieuwe kunstaders ontdekte, berichtte hij niet meer wekelijks over zijn speurtocht. Gelukkig kon hij het ontgonnen goud op een andere manier verwerken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e4. Bondgenoot Jef Verheyen\u003c/p\u003e\u003cp\u003eSchrijven over Ivo Michiels en de plastische kunsten is schrijven over Jef Verheyen (1932-1984). “De schilder die mij in leven en kunst waarschijnlijk het meest na heeft gestaan”, getuigt Michiels in ‘Daar komen scherven van’, Boek 7 van Journal Brut dat over de plastische kunsten gaat en voor een groot deel over Verheyen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels verwijst graag naar hem als de Schilder, met hoofdletter. Verheyen was overigens meer dan een schilder. Tijdens zijn opleiding aan de Academie sloot hij aan bij De Nevelvlek en zat in de redactie van hun tijdschrift Het Kahier, schreef manifesten, publiceerde in Nul en De Tafelronde, hield af en toe een dagboek bij en was een verwoed brievenschrijver. Ook met andere schrijvers als Paul De Vree, Nic Van Bruggen en Guy Vaes was hij close, maar de vriendschap met Michiels was van een meer persoonlijke, creatieve aard.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn Michiels’ eerste echte experimentele verhaal ‘Albisola Mare, Savona’ uit 1959 duikt Verheyen even op als de Antwerpse vriend V. Ze zijn samen op bezoek in het huis van Wilfredo Lam aan de Ligurische kust. In deze ‘superieure, fel psychisch geladen reisherinnering’ (dixit Hubert Lampo) komen ook Lucio Fontana, Roberto Crippa, Walasse Ting en Asger Jorn voor, allen onder voor insiders herkenbare schuilnaam. Michiels was in de kunstenaarskolonie van Albisola Mare, bekend voor zijn keramiekateliers, verzeild geraakt dank zij Jef Veheyen, die hem meenam.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVerheyen, gezegend met lef en een sterk ego, nam in hun vriendschap bijna steeds het initiatief. Hij was het die in september 1955 Michiels aanspraak in diens stamcafé Casa Roca op de hoek van de Meir en de Kolveniersstraat. Hij klopte stoutweg op het vensterraam en vroeg of de criticus zijn pas geopende keramiekatelier achter de hoek in de Rubensstraat niet wilde komen bezoeken.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;Michiels legde zeventien jaar later die eerste ontmoeting vast in een tekst die verscheen in de boekmultiple ‘Jef Verheyen 40’, uitgegeven ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de schilder. Michiels herinnerde zich de uitnodiging van Verheyen als een bevel en hij gehoorzaamde.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOp 18 oktober 1955 schrijft hij een bijdrage in het Handelsblad, een beetje weggestoken in de verzamelrubriek ‘de Antwerpse salons’. Michiels is positief over het gedurfde niet-commerciële initiatief van Verheyen, diens partner Dani Francq en Marina Van Acker die samen het keramiekatelier hadden opgezet, maar hij heeft duidelijk nog geen kijk op de keramiekkunst. Hij vindt het werk zuiver van lijn en eerlijk, maar vermoedt de enorme ambities van Verheyen nog niet.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEen jaar later, op 28 november 1956, publiceert hij een tweede en meteen laatste stuk over Verheyen in Het Handelsblad. Aanleiding was diens allereerste soloshow bij de Deutsche Buchgemeinschaft in de Lange Leemstraat. Hoewel het slechts een bescheiden schilderijenexpositie betrof, ziet Michiels nu wel\u0026nbsp; “de artistieke ernst” ervan in. Daarbij speelde mee dat hij ondertussen al meermaals het schildersatelier had bezocht en ook kennis had van de grote werken die Verheyen niet kon tonen in de kleine boekhandel. Michiels zag het verband in matièrebehandeling en kleurgebruik tussen de geëxposeerde doeken en de vroegere keramiekwerken, maar hij wist ook dat Verheyen al een stadium verder was gevorderd. “In deze grotere doeken treedt deze jongere al veel rijper naar voor en verrast hij de toeschouwer door een compositorisch vermogen dat respect afdwingt, terwijl het ritme van het schilderij groeit uit een boeiende verkaveling van het oppervlak in vlakken en onderverdeling van vlakken welke in hun kleinste onderdeel ook elk afzonderlijk nog aan een eigen door de matière gestimuleerde spanning onderworpen zijn.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe recensie wint nog aan kracht doordat Michiels ze koppelt aan een al even extatische kritiek van het nieuwe werk dat Paul Van Hoeydonck in Brussel toonde. Van Hoeydonck is op dat moment de kunstenaar in wie de criticus het sterkst gelooft. Weldra zal Verheyen die positie overnemen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e5. Wonderjaren 1957-1959\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn 1957 komt alles in een stroomversnelling. De uiterlijke omstandigheden lijken nochtans ongunstig: Het Handelsblad gaat op de fles en wordt overgenomen door De Standaard met als gevolg dat Michiels zijn baan verliest. Gelukkig wordt hij even doorbetaald en kan hij op 1 december terecht bij uitgeverij Ontwikkeling. Financieel gaat hij er flink op vooruit. In 1957 publiceert hij ook ‘Het afscheid’, in zijn ogen zijn echte debuut en de roman die hem onomstotelijk in het kamp van de vernieuwers brengt.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn dat kamp profileert zich ook steeds nadrukkelijker Jef Verheyen, met wie Michiels de vriendschapsbanden aanhaalt. De eerste brieven gaan over en weer in wat zal uitgroeien tot een indrukwekkende correspondentie. Najaar 1957 heeft Verheyen zijn eerste belangrijke solo-expositie in galerie Accent in Antwerpen en legt hij met Walter Vanermen, Jef Kersting , Herman Denkens en André Comhaire de basis van wat zal uitgroeien tot G58.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMet het wegvallen van Het Handelsblad richt Michiels zich tot vaktijdschriften, in de eerste plaats het katholieke Periscoop dat in 1950 door professor René Lissens was opgericht als blad voor literaire kritiek maar geleidelijk aan meer aandacht ging schenken aan plastische kunsten. Volgens Michiels was het tijdschrift ook op beter papier gedrukt, wat sterkere illustraties toeliet. Michiels keek ook naar het buitenland. In het Italiaans-Franse I 4 Soli, waarvan hij in Het Handelsblad enkele nummers positief besprak, publiceerde hij eind 1957 al een belangrijke tekst over Jef Verheyen, in het Frans. “Voor Verheyen is een schilderij een wereld die perfect en helemaal onafhankelijk is. Meer zelfs: het is een eerste appél dat uitgeroepen en gehoord wordt, daarvoor was er niets tenzij de leegte en de stilte”, meldt Michiels.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn februari 1958 heeft Verheyen, die de zomer daarvoor het pad was gaan effenen, zijn eerste tentoonstelling beet in Milaan, bij galerie Pater. Michiels schreef de tekst voor het vouwblaadje bij de vernissage, waarop hij aanwezig was. Veertien jaar later zou hij het afscheidstafereel met Verheyen op het perron in Milaan beschrijven, een tekst die meermaals verscheen en die uiteindelijk ook in Journal Brut, Boek 7 belandde.\u0026nbsp; “Ik was hem vanuit Antwerpen nagereisd, was een paar dagen bij hem in Milaan gebleven, reed nu het eerst weer terug, hem achterlatend met het restant van wat schamele lires. Maar hij bleef. Omdat het moest. Ergens moest het. Hij bleef om morgen misschien toch nog een schilderij te verkopen, iemand te ontmoeten die geld gaf, of niet eens geld, die een weg openmaakte.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn zijn missie in Milaan slaagde Jef Verheyen met onderscheiding. Hij verkocht een blauw schilderij aan Fontana en sloot vriendschap met Crippa, later ook met Manzoni\u0026nbsp; en vele anderen. Michiels werd eveneens in die kringen geïntroduceerd en bracht verslag uit in\u0026nbsp; Het Kahier 11 van 1958, waar Verheyen in de redactieraad zat, en in ‘Milanese brief’ in de Periscoop. In Journal Brut zouden nog tal van heroïsche anekdotes uit de woelige Italiaanse periode gerecupereerd worden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels beperkte zijn rol niet louter tot kijker en commentator, maar koos uitdrukkelijk partij voor Verheyen en zijn Italiaanse vrienden. Zo kreeg hij het via Willy Vaerewijck, directeur van uitgeverij\u0026nbsp; Ontwikkeling, gedaan dat hij een beeldje van Crippa kon plaatsen in het Paviljoen van de Pers op de Wereldexpositie. Hij ging het persoonlijk ophalen in Milaan. Michiels schreef ook een brief aan Herman Teirlinck met de vraag of de Belgische Staat geen werk kon aankopen van de veelbelovende kunstenaar Jef Verheyen. De vraag kwam veel te vroeg.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEen gemiste kans want Verheyen ging door op zijn elan. Eind 1958 presenteerde hij het monochrome schilderij ‘De lucht is vol van uw warmte’ op de openingsexpositie van G58 in het Hessenhuis. Na ruzie verliet hij de groep en vond hij expositiemogelijkheden in Zwitserland, waar hoteleigenaar en galeriehouder Hans Liechti zijn mecenas en promotor werd. In Düsseldorf sloot hij vriendschap met Günther Uecker en Otto Piene van de Zero-beweging, waarvan hij de Belgische ambassadeur werd.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels publiceerde ondertussen over Verheyen waar en wanneer hij maar de gelegenheid kreeg. Hij schreef een openingswoord voor een expo in Rotterdam en leverde bijdragen aan het Franstalige Art Actuel en De Kunstmeridiaan, verbonden aan de Brusselse Taptoe-galerie waar hij Asger Jorn en Wallase Ting beter leerde kennen. Toen in 1959 dichters en kunstenaars\u0026nbsp; van G58, De Tafelronde, Het Kahier en Frontaal elkaar even vonden in het ‘Modernistisch Centrum’, hield Michiels een lezing over ‘Abstracte kunst’, een richting waarvoor hij nu voluit overstag ging.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn deze periode van druk atelierbezoek, gesprekken onder kunstenaars en drinkgelagen begint Michiels ook kunst te verzamelen en te verhandelen. “Het had alles met vriendschap en generositeit te maken, de slechte kanten van de business bestonden in de jaren vijftig nog nauwelijks”, blikt hij vandaag terug.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe gulle Fontana die graag jongeren rondom zich had, gaf hem een werkje van Asger Jorn cadeau. Van Baj kocht hij een groot doek op afbetaling omdat de eerste koper, die hij zelf had aangebracht, uiteindelijk een ander werk wilde.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels zou een benijdenswaardige verzameling opbouwen met sleutelwerken van Baj, Fontana, Engelbert Van Anderlecht en Jef Verheyen, van wie hij meermaals cruciale werken uitleenden voor tentoonstellingen in musea. Ook stukken van de Zero-beweging en popart kwamen in zijn bezit.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eUit geldnoodzaak verkocht hij nu en dan werk door. Bij zijn verhuizing naar Frankrijk zou het merendeel van de collectie worden verkocht, met uitzondering van enkele Verheyens. Michiels beweert dat hij nooit kunstwerken zo maar op veiling bracht, maar ze steeds aanbood aan vrienden of bevriende galeriehouders.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn tegenstelling tot vele collega’s zoals Paul Van Ostaijen, Maurice Gilliams, Gaston Burssens, Paul De Vree, Adriaan De Roover, Louis Paul Boon, Hugo Claus, Gust Gils, Paul Snoek, Patrick Conrad en Hugues C. Pernath waagde Michiels zich niet aan het maken van kunst. Volgens de schrijver zou Jef Verheyen hem daar wel toe aangespoord hebben, maar zelf oordeelde hij dat zijn talenten elders lagen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e6. Naar de essentie\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn de jaren zestig volgt Ivo Michiels het galeriewezen nog wel, zeker zolang hij in Antwerpen woont, bemiddelt en verkoopt wat, maar laat de organisatie en propaganda van Jef Verheyen en diens entourage over aan anderen. Die anderen zijn dan Paul De Vree, zijn soulmate van De Tafelronde, en Nic Van Bruggen, de jonge kunstcriticus van De Nieuwe Gazet en aspirant-dichter. In zijn eerste bundel ‘Revolver’ (1962) zou die zich uitdrukkelijk beroepen op de plastische theorieën van Jef Verheyen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eKenmerkend is dat niet Michiels, maar wel Paul De Vree en Nic Van Bruggen de Nieuwe Vlaamse School boven de doopvont hielden en er samen met Verheyen het manifest van schreven. De groep bestond uit afgescheurde G58-leden en nieuwe vrienden van Verheyen zoals Engelbert Van Anderlecht, Guy Mees en Guy Vandenbranden. De Nieuwe Vlaamse School ging van start op 15 oktober 1960 met een expositie in het CAW, niet toevallig op dezelfde dag als de derde groepstentoonstelling van G58. Er werd met modder gegooid, maar Michiels mengde zich niet.\u003c/p\u003e\u003cp\u003ePolemiek had hij altijd al gemeden. Zijn hart ging meer uit naar abstractie dan figuratie, maar hij hield steeds beide polen in het oog, net zoals hij handig schipperde\u0026nbsp; tussen de ‘koude’ constructivistische en ‘warme’ lyrische abstracten. Kiezen tussen de Nieuwe Vlaamse School van Jef Verheyen en G58 van\u0026nbsp; Paul Van Hoeydonck, Bert De Leeuw en Walter Leblanc was een dilemma. Met Verheyen had hij een zielsband, maar het werk van Van Hoeydonck en Leblanc hoefde hij daarvoor toch niet af te zweren?\u003c/p\u003e\u003cp\u003eGelukkig moest hij als criticus zijn kop niet meer uit te steken, want na 1960 beoefende Michiels geen journalistiek meer. Alle publicaties stonden voortaan in het teken van creatief schrijven. Creatief, dat wilde voor hem zeggen: de lessen die hij van Verheyen en andere schilders geleerd had ,omzetten in taal. Geen beschrijving of omschrijving meer, geen illustratie en ballast, maar de essentie. Of\u0026nbsp; in de zienswijze van Jef Verheyen: geen impressionisme, maar het wezen van kleur en licht.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn de Alfa-cyclus, die Michiels tussen 1963 en 1979 liet verschijnen, gaat hij met klanken, zinnen en teksten omspringen zoals een schilder met vlakverdeling en ruimtewerking, kleur en licht. ‘Het boek Alfa’ begint symbolisch in de modder, dikke matièreverf, maar er staan ook speelse Cobra-achtige passages in en koele constructies. Het plastische hoogtepunt valt in ‘Exit’, het middendeel van de Alfa-cyclus dat na 130 bladzijde repetitieve bezwering eindigt op de vijftiende letter van het alfabet: de 0 of het cijfer nul, een directe hommage aan de Zero-beweging, die de terugkeer naar de nulgraad van de schilderkunst voorstond.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDaarna kan er in ‘Dixit’ weer opgebouwd worden. In de tiendelige Journal Brut-cyclus zal het hele gamma van plasticiteit aan bod komen: van barok tot minimaal.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“Bij Zero, Verheyen en Fontana, voelde ik mij als schrijver het nauwst betrokken. Hoewel Cobra, Jorn vooral, ook Corneille, geregeld hun kleurkopje opsteken in mijn schriftuur”, becommentarieert Michiels vandaag het belang van de plastische kunsten voor zijn romanoeuvre.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eParallel met het ontstaan van de Alfa-cyclus publiceert Michiels ook schaarse gelegenheidsteksten, geschreven op verzoek van kunstenaars, galeriehouders, film- of theaterproducenten. Onmogelijk om er een genrebepaling op te kleven. Raadselachtig\u0026nbsp; poëzie, een herinnering of dagboekfragment, een imaginaire dialoog, essayistische\u0026nbsp; duidingen, taalspel? Meestal mengt hij de vormen door elkaar.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe teksten liggen in het verlengde van ‘Albisola mare, Savona’, handelen over kunst, zijn hyperpersoonlijk en richten zich tot een publiek van ingewijden dat op dezelfde golflengte zit. Ze verschijnen op kleine oplagen in gespecialiseerde tijdschriften, catalogi of dure kunstedities. Zo was ‘Babyblauw en suikergoedrose’, een in memoriam voor Lucio Fontana, te lezen in het tijdschrift Raam in 1969.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e‘Jef Verheyen, schilder. Ook een verhaal’ vond een plek in de dure boekmultiple ‘Jef Verheyen 40’, uitgebracht ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de schilder. Bij die gelegenheid werd ook een legendarisch feest gehouden in het kasteel in het Rivierenhof in Deurne. Verheyen, Michiels en fotograaf Frank Philippi werkten nauw samen aan dit megalomaan project van vormgever en uitgever Paul Ibou. De tekstschrijver was 85.000 frank (2000 euro) beloofd en 3 percent van de verkoop, maar door het faillissement van Paul Ibou en zijn Multi Art Gallery kwam daar niets van terecht.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHet boekje ‘Zes keer een aanloop’ begeleidde een expo van Alechinsky bij de Antwerpse galerie Lens Fine Art. ‘Het fietsje van Szukalski’ hoorde bij een expo in The Antwerp Gallery in de Lamorinièrestraat, waar ook Verheyen een keer exposeerde. De van oorsprong Poolse beeldhouwer en collagekunstenaar begon zijn carrière als assistent van Jef Verheyen en maakte een serie neusportretten waarin Michiels en Verheyen figureerden. In 1979 schreef Michiels vier gedichten/teksten bij evenveel seriegrafieën van Mark Verstockt, met wie hij al kennis had gemaakt eind jaren vijftig in galerie Accent.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMet al deze kunstteksten laat\u0026nbsp; Michiels een volstrekt eigen stem horen. In 1979 bundelde Walter Soethoudt ze\u0026nbsp; in ‘Luister hoe dit beeld hoe die lijn hoe die kleur hoe dit vlak luister’. De bundel had even goed ‘Zie hoe deze klank, hoe dit woord, hoe deze zin, hoe deze tekst, zie’ kunnen heten. Als ‘scherven’ kregen ze een terechte plek in Journal Brut Boek 7, samen met andere herinneringen uit de kunstwereld.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e7. Frankrijk\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn de zomer van 1974 zet Jef Verheyen weer een nieuwe stap. Hij laat Antwerpen achter zich en verhuist naar Les Talons in Saint Saturnin d’ Apt in de Provence. Hij kon de sprong wagen dankzij enkele oude en nieuwe gefortuneerde verzamelaars zoals de Duitser Gerhard Lenz, dokter Jos Macken, Louis Bogaerts (die twee van zijn Verheyens opofferde om ze door Fontana te laten doorboren), galeriehouder Marcel Stal, Baron Antonino von Hoerde, Carlo Van den Bossche en de jonge, beginnende antiquair Axel Vervoordt. Verheyen zat vanaf zijn bijdrage aan de Biënnale van Venetië ook steviger in een Europees circuit van musea en galeries.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eTussen de Provence en het landelijke Zonnegem, waar Michiels woont, gaapt een afstand. Verheyen behoudt wel een atelier in Antwerpen, maar de twee zien elkaar steeds minder. Wel voeren ze een drukke correspondentie. Van Verheyen bewaart het Letterenhuis bijna zeventig overwegend lange brieven gericht aan Michiels.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eSteeds terugkerend onderwerpen zijn de eenzaamheid, de noodzaak om België en Antwerpen te verlaten\u0026nbsp; (“het zielige leven van de Vécu en de Boer van Tienen”) en de lof van Frankrijk.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp; “Wat dat land hier biedt, jongen, ik kan het echt niet zeggen. Ik stap van het ene schilderij in het andere, de ruimten liggen niet meer achter elkaar, op elkander, allemaal deuren die ik open en terug dicht doe…”, schrijft Verheyen op 9 oktober 1974.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEn op 16 december klinkt het zo: “De eenzaamheid en de onafhankelijkheid zijn dingen die noodzakelijk zijn voor iemand die tot het uiterste wil gaan, in creatieve zin. En voor wat zou ik eigenlijk leven. Voor de schilderkunst en voor niets anders in feite. Ik weet niet of het zal lukken maar in de provinciale brol van België wil ik niet stikken. Ik sterf liever voor iets dat de moeite is dan in een beerput te verzuipen.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVerheyen mist Michiels. Hij wil zijn oordeel kennen over zijn nieuwe doeken, maar is ook benieuwd naar diens schrijfwerk. “De bezwering (obsessie vind ik niet juist) die jij met je woorden tracht te bereiken, ligt me zo nabij, dat ik het duidelijk kan voelen”, laat hij weten.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe volgende jaren laat Verheyen geen gelegenheid voorbijgaan om Michiels uit te nodigen om in Frankrijk te komen schrijven. In 1978 begint hij ook tips te geven over interessante huizen die hij hem in de buurt te koop staan. In 1979 waagt Michiels op zijn beurt de overtocht en nestelt zich in Le Barroux, zo’n 50 kilometer noordelijker dan Saint Saturnin d’ Apt. Uitgerekend in die periode is Verheyen vaak in Antwerpen, Zwitserland en Duitsland voor de voorbereiding van Zero-tentoonstellingen.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eToch vinden ze de tijd om aan twee gezamenlijke luxeprojecten te werken. ‘Weerspiegelingen’ in 1979 bevat twee litho’s, een tekst van Jef Verheyen en een commentaar van Michiels. Michiels stelt vast dat Verheyen veel teksten geschreven heeft en taal een drijfveer was voor de schilder, zoals plastische kunst voor hem als schrijver. Hij besluit: “Tekst en beeld zijn er al van oudsher op uit elkaar aan te vullen, soms in een typisch twintigste-eeuwse huwelijk, uitgroeiend tot een authentieke integratie. Van sommige zal het dan zelfs moeilijk worden, uit te maken welke taal primair de hunne is: die van het zien, of die van het horen, die van de verf of die van de inkt.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003e‘Le Grand Oeuvre’ in 1982 uitgegeven door galerie Erker in Sankt Gallen brengt tien litho’s van Jef Verheyen samen met tien teksten van Ivo Michiels. De bekende Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt stelt het werk voor in Sankt Gallen. In Antwerpen houden Julien Schoenaerts en Henri-Floris Jespers het boven de doopvont in het Oserriethhuis op de Meir.\u0026nbsp; “Jef maakte tien litho's in zwart-wit, terwijl de tien teksten van mij eveneens op steen werden geschreven, maar dan in kleur. Jef was trots op zijn vondst”, herinnerde Michiels zich deze samenwerking, die hun afscheid zou worden.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOp 2 maart 1984 sterft Jef Verheyen aan de gevolgen van een hartaanval op de judomat van zijn sportclub in Apt. Hij wordt begraven in een grafkelder in Croagnes.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e8. En maar vliegen\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIvo Michiels blijft verweesd achter en heeft nog negen delen van zijn opus ‘Journal Brut’ te schrijven. Een jaar na Verheyens dood publiceert hij deel 2, ‘Het boek der nauwe relaties’. De Schilder mocht daarin niet ontbreken. In het hoofdstuk ‘De witte tenten voor de hoge ramen’ blikt Michiels terug op diens begrafenis. Terwijl hij met een roos voor het graf staat, brengen zijn gedachten hem terug naar een memorabele nacht in Venetië. Het is 1981: Jef Verheyen heeft zijn beste vrienden uitgenodigd in een onderkomen paleis. Terwijl de anderen slapen, filosoferen de schilder en de schrijver over de nietigheid van het bestaan en de grootheid van kunst.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels noteert hun dialoog:\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“Zeker een schrijver.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOf een schilder.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMisschien wel een schrijver die schildert\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMisschien wel een schilder die schrijft\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe ene kunst en de andere kunst, vogel is vogel.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eWolken zijn wolken, ik bedoel woorden.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003e“En maar vliegen”, zegt hij.”\u003c/p\u003e\u003cp\u003eWaarop Verheyen twee planken neemt en ermee als een steltloper begint rond te lopen, op hoge poten boven het banale. Baudelaire knikt instemmend: een knappe correspondance, kunst als poësis, niet als mimesis.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eFrank HEIRMAN\u003c/p\u003e"}]},{"id":32058,"title":"• 0751 • Les arbres ne fleurissent qu'au Printemps","dimensions":"96 x 96 cm","date_begin":"1974-01-01","material":"Matt lacquer on canvas","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":181,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":3,"stream_count":0,"collection":"Private","cached_tag_list":"Jef Verheyen Ivo Michiels Lente Spring Printemps","publishing_process_id":1,"annotation":"\u003cp\u003e---------------------------------------------------------------------------\u003cbr /\u003e\r\nSigned on the back\u003cbr /\u003e\r\nDated on the back: \u0026#39;4-7-74\u0026#39;\u003cbr /\u003e\r\nTitled on the back: \u0026#39;les arbres ne fleurissent qu\u0026#39;au Printemps\u0026#39;\u003cbr /\u003e\r\nDedicated on the back: \u0026#39;voor Ivo en Christiane van hun vriend Jef Peintre Flamant\u0026#39;\u003c/p\u003e\r\n","date_end":null,"reference":"","stream_count_app":18,"permalink":"751-les-arbres-ne-fleurissent-qu-au-printemps","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/082/473/medium_500/751_1.jpg?1648046504","cached_actor_names":"Axel Vervoordt, Ivo Michiels, Jef Verheyen","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/082/473/large/751_1.jpg?1648046504","poster_credits":"(c)Jef Verheyen, photo: Christie's Amsterdam - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":""},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":32252,"title":"Reproduction of 'Le Voile du Mystère'","dimensions":"","date_begin":"1959-01-01","material":"Black-and-white photograph","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":23,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":4,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Le Voile du Mystère Frank Philippi De Kunstmeridiaan","publishing_process_id":1,"annotation":"\u003cp\u003e---------------------------------------------------------------------------\u003cbr /\u003e\r\nNoted on the back by the artist (1): \u0026#39;\u003cem\u003ePour lever ce voile de myst\u0026egrave;re, qui me cache ma propre valeur, il me faut le plus grand silence.\u0026nbsp;\u003c/em\u003eFebruari 1959\u0026#39;, \u0026#39;100 x 81\u0026#39;, \u0026#39;1958\u0026#39;, \u0026#39;coll. Michiels\u0026#39;, \u0026#39;De Kunstmeridiaan 1959\u0026#39;\u003cbr /\u003e\r\nNoted on the back by the artist (2): \u0026#39;100 x 81\u0026#39;, \u0026#39;1959\u0026#39;, \u0026#39;Coll. Anvers\u0026#39;\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003e14 April 1959 (series\u0026nbsp;6785/ 1-1A-B tot 11-11\u0026nbsp;\u003cem\u003eReproductions of Jef Verheyen\u0026#39;s paintings\u003c/em\u003e)\u003cbr /\u003e\r\nAuthentification stamp by the photographer on the reverse\u003cbr /\u003e\r\nFP Inv. n. 6785/1A\u003c/p\u003e\r\n\r\n\u003cp\u003eThe first photograph was part of the scrapbook, including the artist\u0026#39;s notes below: \u0026#39;\u003cem\u003eColl. M. Anvers\u0026nbsp; 100 x 81\u0026nbsp; jan. 59.\u0026#39;\u003c/em\u003e\u003c/p\u003e\r\n","date_end":null,"reference":"JV_39_36_22","stream_count_app":27,"permalink":"reproduction-of-le-voile-du-mystere","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/083/964/medium_500/JV_39_36_22_a.jpg?1653040239","cached_actor_names":"Frank Philippi, Jef Verheyen, Ivo Michiels","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/083/964/large/JV_39_36_22_a.jpg?1653040239","poster_credits":"(c) Scan: CKV, 2022 - Photo: Frank Philippi / SABAM - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":""},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":23124,"title":"• 0459 • Le Voile du Mystère","dimensions":"81 x 100 cm ","date_begin":"1958-01-01","material":"oil paint on burlap, varnished","short_description":"\u003cp\u003e\u003ci\u003e\u003cstrong\u003e“Pour lever ce voile du mystère qui me cache ma propre valeur, il me faut le plus grand silence.” \u003c/strong\u003e\u003c/i\u003e\u003cstrong\u003e- Jef Verheyen, February 1959\u003c/strong\u003e\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eThis key work marks a turning point in Verheyen's oeuvre. Like American artist Mark Rothko, he discovers a meditative vision of abstract art. When Verheyen is working on this canvas, he writes: \u003ci\u003e‘I no longer feel form, only vibrating spaces, my canvas is space itself and I do not feel attached in any way to the surface on which I am working. ... It is therefore logical that I no longer have any notion of the surface, that I feel as if I am the centre of that space. I alone faced by that space. I alone faced by that void.’\u003c/i\u003e\u003c/p\u003e\u003cp\u003eThe work invites stillness, meditation... How does this indeterminate, black space make you feel?\u003c/p\u003e","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":181,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":11,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Rothko Veil Spiegel Colour field","publishing_process_id":1,"annotation":"\u003chr\u003e\u003cp\u003eArtist's frame\u003cbr\u003eFramed in Plexi box on the occasion of the exhibition in Lyon\u003cbr\u003eSigned on the reverse: 'Jef Verheyen'\u003cbr\u003eDated on the reverse: 'S58-A59'\u003cbr\u003eTitled on the reverse: 'le voile du mistère'\u003cbr\u003eInscribed on the reverse: 'Anvers'\u003c/p\u003e\u003cp\u003ePhotographed by Frank Philippi\u0026nbsp;(6785-1A, see linked items)\u0026nbsp;According to the artist's notes on this photograph (twice) as well as in the scrapbook, the work once belonged to the collection of Ivo Michiels (also credited under 'Coll. M. Anvers'). However, the work was (still/again) in the artist's own collection in later years, as he included it in his list of works stored in hier atelier Ten Bosch,\u0026nbsp;\u003cbr\u003e\u003cbr\u003eLabeled on the reverse referring to transport (Farin) and the exhibition\u003ci\u003e\u0026nbsp;Lux est Lex,\u0026nbsp;\u003c/i\u003eAxel Vervoordt Kanaal, Wijnegem,\u0026nbsp;2004\u003cbr\u003e\u003cbr\u003eThe work was held in depot for years by the Musée Saint Pierre Art Contemporain in agreement with Dani Franque, and was later recollected by the latter.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eIn his notebook of 1958-1960 (see linked item), Verheyen wrote about Taoism, Eastern and Western thinking, and the 'mysterious veil' (p 20/43). May be a reference tor this painting's title.\u0026nbsp;\u003c/p\u003e","date_end":"1959-01-01","reference":"","stream_count_app":92,"permalink":"459-le-voile-du-mystere","description_ru":"","description_de":"\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u003ci\u003e\u003cstrong\u003e“Pour lever ce voile du mystère qui me cache ma propre valeur, il me faut le plus grand silence.” \u003c/strong\u003e\u003c/i\u003e\u003cstrong\u003e- Jef Verheyen, Februar 1959\u003c/strong\u003e\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"\u003cp\u003e\u003ci\u003e\u003cstrong\u003ePour lever ce voile du mystère qui me cache ma propre valeur, il me faut le plus grand silence. \u003c/strong\u003e\u003c/i\u003e\u003cstrong\u003e- Jef Verheyen, Februari 1959\u003c/strong\u003e\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDit sleutelwerk markeert een kantelpunt in Verheyens oeuvre.\u0026nbsp;Net als de Amerikaanse kunstenaar\u0026nbsp;Mark Rothko ontdekt hij een meditatieve visie op abstracte kunst. Wanneer Verheyen aan het doek werkt, schrijft hij: \u003ci\u003e“Ik voel geen vorm meer, enkel vibrerende ruimten, m’n doek is de ruimte zelf en ik voel me helemaal niet gebonden aan het vlak waarop ik werk. … ’t Is zodus logisch dat ik geen notie meer heb van het vlak, dat ik me als het middelpunt van die ruimte voel, ik alleen tegenover die ruimte, alleen tegenover dat niets.”\u003c/i\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHet werk nodigt uit tot verstilling. Wat voel jij bij deze onbestemde, zwarte ruimte?\u0026nbsp;\u003c/p\u003e","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/050/573/medium_500/459_1.jpg?1594288110","cached_actor_names":"Jef Verheyen, Ivo Michiels","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/050/573/large/459_1.jpg?1594288110","poster_credits":"(c)Jef Verheyen, photo: Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eAround 1958, after a period of 'labyrinth-geometric' works, Verheyen starts exploring the monochrome colour and the simplified form. They may appeal to or\u0026nbsp;evoke Rothko's color fields. These\u0026nbsp;estranged\u0026nbsp;works in toned-down colours carry titles as 'Le voile dy mystère', throwing a veil.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVerheyen wrote about this painting in his notebook of 1962\u0026nbsp;(JV_08_33):\u003cbr\u003e\u003cbr\u003e\u003ci\u003eVroeger reeds kreeg ik bewijzen die zo duidelijk aantoonden wat zij wilden dat ik er onmogelijk naast kon kijken. Vier jaar geleden maakte ik een zwart schilderij dat ik Le Voile du Mystère [459] noemte zonder feitelijk te beseffen wat die enorme verborgen wereld in zich droeg aan bewijzen, wegen en rustplaatsen. Het nam me meer dan 4 maanden vooraleer ik in de staat was die muur te doorbreken en een brug over dat schilderij te bouwen, langzaam sukkelde ik verder over de weg die steeds smaller en smaller werd tot me nog een haarfijn draadje bleef dat over de zwarte afgrond was gespannen en waarin ik meermalen viel, dikwijls alles brak wat rond mij in het duister te vinden was, maar elke maal vond ik het begin van de draad terug tot ik eindelijk een goed equilibrist werd.\u003c/i\u003e\u003c/p\u003e"},{"locale":"nl","description":"\u003cp\u003eAround 1958, after a period of 'labyrinth-geometric' works, Verheyen starts exploring the monochrome colour and the simplified form. They may appeal to or\u0026nbsp;evoke Rothko's color fields. These\u0026nbsp;estranged\u0026nbsp;works in toned-down colours carry titles as 'Le voile dy mystère', throwing a veil.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eVerheyen wrote about this painting in his notebook of 1962\u0026nbsp;(JV_08_33):\u003cbr\u003e\u003cbr\u003e\u003ci\u003eVroeger reeds kreeg ik bewijzen die zo duidelijk aantoonden wat zij wilden dat ik er onmogelijk naast kon kijken. Vier jaar geleden maakte ik een zwart schilderij dat ik Le Voile du Mystère [459] noemte zonder feitelijk te beseffen wat die enorme verborgen wereld in zich droeg aan bewijzen, wegen en rustplaatsen. Het nam me meer dan 4 maanden vooraleer ik in de staat was die muur te doorbreken en een brug over dat schilderij te bouwen, langzaam sukkelde ik verder over de weg die steeds smaller en smaller werd tot me nog een haarfijn draadje bleef dat over de zwarte afgrond was gespannen en waarin ik meermalen viel, dikwijls alles brak wat rond mij in het duister te vinden was, maar elke maal vond ik het begin van de draad terug tot ik eindelijk een goed equilibrist werd.\u003c/i\u003e\u003c/p\u003e"},{"locale":"fr","description":"\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u003ci\u003e\u003cstrong\u003e“Pour lever ce voile du mystère qui me cache ma propre valeur, il me faut le plus grand silence.” \u003c/strong\u003e\u003c/i\u003e\u003cstrong\u003e- Jef Verheyen, Février 1959\u003c/strong\u003e\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e"}]},{"id":32406,"title":"Brief uit Milaan. Waar de avant-garde blijft voortbestaan","dimensions":"","date_begin":"1959-01-01","material":"Ink on newspaper, collage","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":112,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":2,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen De Periscoop Avantgarde Avant-Garde Milan","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"JV_40_18","stream_count_app":20,"permalink":"waar-de-avant-garde-blijft-voortbestaan","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/084/684/medium_500/JV_40_18_a.jpg?1655889280","cached_actor_names":"Jef Verheyen, Ivo Michiels, Lucio Fontana","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/084/684/large/JV_40_18_a.jpg?1655889280","poster_credits":"(c) Scan: CKV, 2021 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003e\u003cem\u003eDe Periscoop\u003c/em\u003e\u003cbr /\u003e\r\nDecember 1959\u003cbr /\u003e\r\nIvo Michiels\u003c/p\u003e\r\n"},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":32488,"title":"Jef Verheyen (IT)","dimensions":"1 page","date_begin":"1959-01-01","material":"ink on paper, collage","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":25,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":1,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Pagani Grattacielo Ivo Michiels Introduction Space-Scapes Space Scapes","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"JV_02_77","stream_count_app":20,"permalink":"jef-verheyen-it","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/085/225/medium_500/JV_02_77.jpg?1658303019","cached_actor_names":"Ivo Michiels, Jef Verheyen, Galleria d'arte del Grattacielo","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/085/225/large/JV_02_77.jpg?1658303019","poster_credits":"(c)scan: CKV, 2022 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eIn this introduction by Ivo Michiels, the author introduces the idea of 'space scapes' to describe the work of Verheyen early 1959.\u003c/p\u003e"},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":32489,"title":"Jef Verheyen (introduction)","dimensions":"1 page","date_begin":"1959-01-01","material":"ink on paper, collage","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":25,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":1,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen 't Venster Venster Rotterdam introductie","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"JV_02_78","stream_count_app":16,"permalink":"jef-verheyen-1017ac5c-63ca-4384-ab09-f25ecb5ed38d","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/085/226/medium_500/JV_02_78.jpg?1658305214","cached_actor_names":"Ivo Michiels, Jef Verheyen, 't Venster","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/085/226/large/JV_02_78.jpg?1658305214","poster_credits":"(c)scan: CKV, 2022 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":""},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":32603,"title":"Jef Verheyen est un peintre (et céramiste) anversois","dimensions":"1/2 page","date_begin":"1958-01-01","material":"Ink on paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":25,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":2,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen, Comhaire, Ivo Michiels, Galleria Pater","publishing_process_id":1,"annotation":"\u003cp\u003e---------------------------------------------------------------------------\u003cbr /\u003e\r\nThis text was written on the occasion of the invitation for the exhibition\u0026nbsp;\u003cem\u003eComhaire - Verheyen\u0026nbsp;\u003c/em\u003eat Galleria Pater (see linked item)\u003c/p\u003e\r\n","date_end":null,"reference":"JV_02_80","stream_count_app":18,"permalink":"jef-verheyen-est-un-peintre-et-ceramiste-anversois","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/085/479/medium_500/JV_02_80_a.jpg?1660224355","cached_actor_names":"Ivo Michiels, Jef Verheyen, Galleria Pater","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/085/479/large/JV_02_80_a.jpg?1660224355","poster_credits":"(c)scan: CKV, 2022 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":""},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":33842,"title":"801 Untitled","dimensions":"61 x 81 cm","date_begin":"1957-01-01","material":"Oil paint on masonite","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":181,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":4,"stream_count":0,"collection":"Private","cached_tag_list":"Jef Verheyen spatialistisch kosmisch lyrisch","publishing_process_id":1,"annotation":"\u003cp\u003e---------------------------------------------------------------------------\u003cbr\u003eMarch 1957\u003cbr\u003eSigned on the front: 'Jef Verheyen'\u003cbr\u003eDated on the front: '57-3'\u003c/p\u003e","date_end":null,"reference":"","stream_count_app":19,"permalink":"801-untitled","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"http://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/088/503/medium_500/801_1.jpg?1669718402","cached_actor_names":"Jef Verheyen, Ivo Michiels","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":null,"poster_credits":null,"translations":[{"locale":"en","description":""},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":32278,"title":"Jef Verheyen's Liber Amicis","dimensions":"","date_begin":"1962-01-01","material":"mixed media on bound paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":27,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":57,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Liber Amicis Liber Amicorum Vriendenboek Jef Verheyen and Friends","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":"1984-01-01","reference":"","stream_count_app":265,"permalink":"liber-amicis","description_ru":"","description_de":"\u003cp\u003eVerheyen war mehr als nur ein Maler, er war ein uneingeschränkter Modernist, ein später \u003ci\u003eHomo Universalis\u003c/i\u003e genannter Internationalist, dessen Bedeutung als Bindeglied zwischen der belgischen und der internationalen Kunstwelt kaum hoch genug eingeschätzt werden kann. Letzteres beweist sicherlich der im Archiv aufbewahrte und bisher nie zugänglich gemachte \u003ci\u003eLiber Amicis\u003c/i\u003e, in dem Jef Verheyen seinem Freundeskreis aus dem In- und Ausland Gelegenheit zu Wort gab. Der \u003ci\u003eLiber Amicis\u003c/i\u003e enthält unter anderem Beiträge von Piero Manzoni, Gotthard Graubner, Günther Uecker und Christian Megert.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e(ADT)\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/084/079/medium_500/LA1.jpg?1653640801","cached_actor_names":"Jef Verheyen, Hermann Goepfert, Serge Largot, Nanda Vigo, Raymond Dauphin, Rochus Kowallek, Lucio Fontana, Gotthard Graubner, Jan van der Borgt, Maria Mara, Paul Ibou, Jos Macken, Frank-Ivo van Damme, Piet Sterckx, Christian Megert, Galerie Edith Wahlandt, Dominique Stroobant, Guy Stern, Lotte Lenya, Leon In den Kleef, Madeleine Everaert, Marlborough Gallery, Hergé, Roger Nellens, Hugues C. Pernath, The Antwerp Gallery , Albert  Szukalski, Anselm Thürwächter, Galerie Bernard, Ivo Michiels, Blinky Palermo, Gerhard Richter, Guy Vaes, Vic Gentils, Adam Seide, Günther Uecker, Piero Manzoni","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/084/079/large/LA1.jpg?1653640801","poster_credits":"(c) Scan: CKV, 2019 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eMore than just a painter. Verheyen was an unfettered modernist, a late-called \u003ci\u003ehomo universalis\u003c/i\u003e and internationalist whose importance as a link between the Belgian and international art worlds can hardly be overestimated. The latter is certainly evidenced by the \u003ci\u003eLiber Amicis\u003c/i\u003e, preserved in the archives and thus far never made available, in which Jef Verheyen gave his network of friends from home and abroad the opportunity to speak. The \u003ci\u003eLiber Amicis\u003c/i\u003e has contributions from Piero Manzoni, Gotthard Graubner, Günther Uecker and Christian Megert, among others.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e(ADT)\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e"},{"locale":"nl","description":"\u003cp\u003eMeer dan een schilder alleen was Verheyen een ongebonden modernist, een laatgeroepen\u0026nbsp;\u003ci\u003ehomo universalis \u003c/i\u003een internationalist waarvan het belang als schakel tussen de Belgische en de internationale kunstwereld moeilijk overschat kan worden. Van dat laatste getuigt alleszins de in het archief bewaarde en tot dusver nooit ontsloten\u0026nbsp;\u003ci\u003eLiber Amicis\u0026nbsp; \u003c/i\u003ewaarin\u003ci\u003e\u0026nbsp;\u003c/i\u003eJef Verheyen zijn bevriende netwerk uit binnen- en buitenland aan het woord liet. Het \u003ci\u003eLiber Amicis\u003c/i\u003e heeft bijdragen van onder meer Piero Manzoni, Gotthard Graubner, Günther Uecker en Christian Megert.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e(ADT)\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e"},{"locale":"fr","description":"\u003cp\u003ePlus qu'un simple peintre, Verheyen était un moderniste sans entrave, un \u003ci\u003ehomo universalis\u003c/i\u003e et un internationaliste dont l'importance en tant que lien entre le monde de l'art belge et international ne peut guère être surestimée. En témoigne certainement le \u003ci\u003eLiber Amicis\u003c/i\u003e, conservé dans les archives et jusqu'à présent jamais rendu public, dans lequel Jef Verheyen a donné la parole à son réseau d'amis nationaux et étrangers. Le \u003ci\u003eLiber Amicis\u003c/i\u003e compte notamment sur les contributions de Piero Manzoni, Gotthard Graubner, Günther Uecker et Christian Megert.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e(ADT)\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e"}]},{"id":31424,"title":"Jef Verheyen","dimensions":"","date_begin":"1959-01-01","material":"ink on paper","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":218,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":7,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Pagani Grattacielo Legnano","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"","stream_count_app":51,"permalink":"jef-verheyen-204e63bc-182b-4c95-8a25-748ca190cddc","description_ru":"","description_de":"\u003cp\u003eEinladung zur Ausstellung in der Galleria d'arte del Grattacielo, Legnano, 1959. Umschlagillustration: Linolschnitt, entworfen von Jef Verheyen selbst.\u003c/p\u003e","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/075/802/medium_500/JV_01_01_05_c.jpg?1637831599","cached_actor_names":"Jef Verheyen, Galleria d'arte del Grattacielo, Ivo Michiels","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/075/802/large/JV_01_01_05_c.jpg?1637831599","poster_credits":"(c) Scan: CKV, 2021 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003eInvitation to the exhibition at Galleria d'arte del Grattacielo, Legnano, 1959. Cover illustration: lino cut, designed by Jef Verheyen himself.\u003c/p\u003e\u003chr\u003e\u003cp\u003eIn this introduction by Ivo Michiels, the author introduces the idea of 'space scapes' to describe the work of Verheyen early 1959.\u003c/p\u003e"},{"locale":"nl","description":"\u003cp\u003eUitnodiging voor de tentoonstelling in Galleria d'arte del Grattacielo, Legnano, 1959. Illustratie voorzijde: linosnede, ontworpen door Jef Verheyen zelf.\u003c/p\u003e"},{"locale":"fr","description":"\u003cp\u003eInvitation à l'exposition à la Galleria d'arte del Grattacielo, Legnano, 1959. Illustration de couverture : coupe lino, conçue par Jef Verheyen lui-même.\u003c/p\u003e"}]},{"id":22962,"title":"Pour une peinture non plastique (softcover)","dimensions":"28 x 18.2 cm","date_begin":"1967-01-01","material":"ink on paper, softcover","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":84,"category_id":26,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":22,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Pour une peinture non plastique","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"JV_70_01_01","stream_count_app":114,"permalink":"pour-une-peinture-non-plastique","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/074/401/medium_500/JV_70_01_01.jpg?1630654118","cached_actor_names":"Jef Verheyen, Guy Vaes, Henri-Floris Jespers, Ivo Michiels, Wout Vercammen","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/074/401/large/JV_70_01_01.jpg?1630654118","poster_credits":"(c) Scan: CKV, 2021 - Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003e\u003ci\u003ePour une peinture non plastique\u0026nbsp;\u003c/i\u003eis\u003c/p\u003e\u003cp\u003ea collection of texts, compiled by\u003c/p\u003e\u003cp\u003eJef Verheyen in 1959 and including\u003c/p\u003e\u003cp\u003ean essay by him. The cahier was first\u003c/p\u003e\u003cp\u003eself-published in 1960 (loose-leaf,\u003c/p\u003e\u003cp\u003eperforated, with brass rings). The cahier\u003c/p\u003e\u003cp\u003estarts with the words of Paul\u003c/p\u003e\u003cp\u003eCézanne and then quotes Guy Vaes,\u003c/p\u003e\u003cp\u003eJoseph Joubert, Henry Miller, Ivo\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels, Paul van Ostaijen,\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHeraclitus, Plato, Lao Tseu, Henri\u003c/p\u003e\u003cp\u003ePoincaré, Aristotle, Empedocles,\u003c/p\u003e\u003cp\u003eParmenides.\u003cbr\u003e\u003cbr\u003e\u003cstrong\u003eOriginally printed in 1960. Reprinted with an introduction by Henri-Floris Jespers in 1967 in softcover as well in hardcover, with sliding case. \u0026nbsp;The cahier has been lay-outed by Wout Vercammen.\u003c/strong\u003e\u003c/p\u003e"},{"locale":"nl","description":"\u003cp\u003e\u003ci\u003ePour une peinture non plastique\u0026nbsp;\u003c/i\u003eis\u003c/p\u003e\u003cp\u003eeen verzameling teksten, in 1959\u003c/p\u003e\u003cp\u003edoor Jef Verheyen samengesteld\u003c/p\u003e\u003cp\u003een vergezeld van een eigen essay.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe bundel werd in 1960 voor het eerst gepubliceerd\u003c/p\u003e\u003cp\u003ein eigen beheer (losbladig, geperforeerd, met koperen ringen).\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHet cahier vangt aan met de woorden van\u003c/p\u003e\u003cp\u003ePaul Cézanne en citeert vervolgens\u003c/p\u003e\u003cp\u003eGuy Vaes, Joseph Joubert, Henry\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMiller, Ivo Michiels, Paul van\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOstaijen, Heraclitus, Plato, Lao Zi,\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHenri Poincaré, Aristoteles,\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEmpedocles, Parmenides.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u003cstrong\u003eOorspronkelijk gedrukt in 1960. Herdrukt met een inleiding door Henri-Floris Jespers in 1967 in zowel soft- als hardcover met schuifdoos. Het cahier is vormgegeven door Wout Vercammen.\u003c/strong\u003e\u003c/p\u003e"},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":36201,"title":"Pour une peinture non plastique (hardcover)","dimensions":"","date_begin":"1967-01-01","material":"Ink on paper, hardcover","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":26,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":2,"stream_count":0,"collection":"Jef Verheyen Archive","cached_tag_list":"Jef Verheyen Pour une peinture non plastique Essentialisme","publishing_process_id":1,"annotation":"","date_end":null,"reference":"JV_70_01_02","stream_count_app":20,"permalink":"pour-une-peinture-non-plastique-hardcover","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/092/758/medium_500/JV_70_01_02_a.jpg?1718801804","cached_actor_names":"Jef Verheyen, Henri-Floris Jespers, Guy Vaes, Ivo Michiels, Wout Vercammen","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/092/758/large/JV_70_01_02_a.jpg?1718801804","poster_credits":"© SABAM Belgium, 2024, Jan Liégeois on behalf of the Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":"\u003cp\u003e\u003ci\u003ePour une peinture non plastique\u0026nbsp;\u003c/i\u003eis\u003c/p\u003e\u003cp\u003ea collection of texts, compiled by\u003c/p\u003e\u003cp\u003eJef Verheyen in 1959 and including\u003c/p\u003e\u003cp\u003ean essay by him. The cahier was first\u003c/p\u003e\u003cp\u003eself-published in 1960 (loose-leaf,\u003c/p\u003e\u003cp\u003eperforated, with brass rings). The cahier\u003c/p\u003e\u003cp\u003estarts with the words of Paul\u003c/p\u003e\u003cp\u003eCézanne and then quotes Guy Vaes,\u003c/p\u003e\u003cp\u003eJoseph Joubert, Henry Miller, Ivo\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMichiels, Paul van Ostaijen,\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHeraclitus, Plato, Lao Tseu, Henri\u003c/p\u003e\u003cp\u003ePoincaré, Aristotle, Empedocles,\u003c/p\u003e\u003cp\u003eParmenides.\u003cbr\u003e\u003cbr\u003e\u003cstrong\u003eOriginally printed in 1960. Reprinted with an introduction by Henri-Floris Jespers in 1967 in softcover as well in hardcover, with sliding case. \u0026nbsp;The cahier has been lay-outed by Wout Vercammen.\u003c/strong\u003e\u003c/p\u003e"},{"locale":"nl","description":"\u003cp\u003e\u003ci\u003ePour une peinture non plastique\u0026nbsp;\u003c/i\u003eis\u003c/p\u003e\u003cp\u003eeen verzameling teksten, in 1959\u003c/p\u003e\u003cp\u003edoor Jef Verheyen samengesteld\u003c/p\u003e\u003cp\u003een vergezeld van een eigen essay.\u003c/p\u003e\u003cp\u003eDe bundel werd in 1960 voor het eerst gepubliceerd\u003c/p\u003e\u003cp\u003ein eigen beheer (losbladig, geperforeerd, met koperen ringen).\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHet cahier vangt aan met de woorden van\u003c/p\u003e\u003cp\u003ePaul Cézanne en citeert vervolgens\u003c/p\u003e\u003cp\u003eGuy Vaes, Joseph Joubert, Henry\u003c/p\u003e\u003cp\u003eMiller, Ivo Michiels, Paul van\u003c/p\u003e\u003cp\u003eOstaijen, Heraclitus, Plato, Lao Zi,\u003c/p\u003e\u003cp\u003eHenri Poincaré, Aristoteles,\u003c/p\u003e\u003cp\u003eEmpedocles, Parmenides.\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u0026nbsp;\u003c/p\u003e\u003cp\u003e\u003cstrong\u003eOorspronkelijk gedrukt in 1960. Herdrukt met een inleiding door Henri-Floris Jespers in 1967 in zowel soft- als hardcover met schuifdoos. Het cahier is vormgegeven door Wout Vercammen.\u003c/strong\u003e\u003c/p\u003e"},{"locale":"fr","description":""}]},{"id":36256,"title":"• 0827 • Zelfontmoeting (Self-Contemplation)","dimensions":"200 x 114 cm","date_begin":"1958-01-01","material":"Oil paint on burlap","short_description":"","art_status_id":13,"legal_status_id":47,"category_id":181,"platform_id":1,"deleted":false,"asset_count":4,"stream_count":0,"collection":"Private","cached_tag_list":"Jef Verheyen","publishing_process_id":1,"annotation":"\u003chr\u003e\u003cp\u003eSigned on the reverse: ‘jef verheyen’\u003cbr\u003eDated on the reverse: '58'\u003cbr\u003eTitled on the reverse: ‘Zelfontmoeting’\u003cbr\u003eDedicated on the reverse: ‘Met al mijn vriendschap voor Ivo’\u003c/p\u003e","date_end":null,"reference":"","stream_count_app":19,"permalink":"0827-self-contemplation","description_ru":"","description_de":"","description_es":"","description_el":"","short_description_du":"","short_description_fr":"","short_description_ru":"","short_description_de":"","short_description_es":"","short_description_el":"","description_ca":"","short_description_ca":"","description_it":"","short_description_it":"","cached_primary_asset_url":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/092/851/medium_500/827_1.jpg?1721044185","cached_actor_names":"Jef Verheyen, Ivo Michiels","hide_from_json":false,"prev_platform_id":null,"description_uk":"","short_description_uk":"","description_tr":null,"short_description_tr":null,"mhka_works":false,"poster_image":"https://s3.amazonaws.com/mhka_ensembles_production/assets/public/000/092/851/large/827_1.jpg?1721044185","poster_credits":"© SABAM Belgium, 2024, Jan Liégeois on behalf of the Jef Verheyen Archive","translations":[{"locale":"en","description":""},{"locale":"nl","description":""},{"locale":"fr","description":""}]}]